1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Reisverhalen >

Per auto door den Kaukasus naar Perzië.

De brede en enige straat van Batsji-Seraï.

Reizen, wat is het heerlijk, wat is het schoon! Men hecht eerst recht waarde aan de dingen des levens, als men op het punt is, ze te verliezen. Zou dat het geheim van de bekoring van het reizen wezen? In snelle opeenvolging ontdekt men telkens nieuwe landschappen, maakt kennis met oude en jonge steden, betreedt tempels en paleizen en vindt eenzaamheid en stilte, waar eens drukte van leven heerste en men voelt, dat het alles u ontsnapt op het ogenblik van het eerste aanschouwen.

Wij zijn gereisd naar Midden-Perzië en hebben de rozen van Ispahan geplukt. We zijn niet de gewone wegen gegaan, want in plaats van met den trein naar Bakoe te stomen, besloten we een deel van het traject en wel een zoo groot mogelijk deel per automobiel af te leggen. Zoo zijn we dan ook met onze machines in Bessarabië geweest, een land, dat nog lang terra incognita voor auto’s blijven zal. De Krim hebben wij bezocht, en in den Kaukasus hebben regen en sneeuw ons opgehouden. Toen we enige uitstapjes hadden gedaan rondom Batoem en Koetaïs, hebben wij den trein genomen en de auto’s deden hetzelfde. In Perzië heeft één van ons geprobeerd, over de bergen bij Tabris het hoge plateau van Iran te bereiken, terwijl wij anderen in de automobielen de tweede heilige stad van het rijk der Shahs, Koem, bezochten. En toen we daar waren in de zesde week van onze reis, nadat we grote moeilijkheden hadden overwonnen, gevoelden we ons wel ver van Parijs en de onzen; maar we hebben te Ispahan een onvergetelijke week doorleefd.

Wij hadden twee jonge vrouwen meegenomen, of eigenlijk hadden zij ons meegevoerd, zoo groot en levendig waren haar enthousiasme, haar vrolijkheid, haar moed, haar wens om het doel te bereiken. Zij waren gewend aan weelde en niets doen, aan comfort van allerlei aard; maar ze hebben met ons meegemaakt de nachten zonder slaap, gedeeld de onvoldoende maaltijden, de slechte, vuile herbergen, de koude van den vroegen morgen, den ijzige wind der bergen en de hitte, die des middags uit de woestijn opstijgt…. Zij zijn te Ispahan geweest, en allen zijn we teruggekeerd.

Hoe konden zeven mensen van gezonde zinnen op het denkbeeld komen, per auto naar Perzië te gaan?

De wens om met zijn auto eens een anderen weg te rijden dan van Toulon naar Nice, deed een mijner vrienden, prins Emanuel Bibesco, een reis ondernemen langs de Corniche van de Krim. Hij ging er eerst heen, zonder van huis te gaan, namelijk [86]door in zijn Baedeker te lezen en kaarten te bekijken. Baedeker leerde hem o.a., dat er een stoombootdienst bestaat van Sebastopol naar Batoem in den Kaukasus. Op dien tijd, het was in Januari 1905, sprak hij er mij over.

Men zou al heel weinig van aardrijkskunde moeten weten, om niet te hebben gehoord, dat de Kaukasus een land van prachtige bergen is, en dat de Russen er wegen hebben aangelegd. Zoo bereisden wij dan den Kaukasus, altijd op dezelfde luie manier, reden door dalen en over passen, om in steden uit te rusten. We kwamen op de kaart te Bakoe aan de Kaspische Zee. Die hield ons tegen.

Toen kwam Emanuel Bibesco weer bij mij.

“Weet je, waar Resjt ligt?” vroeg hij.

“Resjt in Perzië?”

“Resjt in Perzië!”

“Niet heel ver van de Kaspische Zee, ten zuiden.”

“Weet je nog wel, dat wij al te Bakoe zijn geweest?”

“Ik zie nog de Kozakken in de straten.”

“Er gaan tweemaal ’s weeks stoomboten van Bakoe naar Enzeli, de haven van Resjt….”

Mijn hart begon onrustig te kloppen.

“En van Resjt naar Teheran,” ging hij voort, “hebben de Russen een uitmuntende weg aangelegd van 325 kilometer, waar de automobielen…”

“Zeg maar niets meer. Wanneer gaan we?”

We hebben drie maanden aan de voorbereiding besteed.

Er kwamen slechte berichten uit Rusland, zeer slechte berichten, maar niets hield ons terug. In de eerste dagen van April waren wij allen te Boekarest. Daar zal ik u voorstellen ons gezelschap, prins Georges Bibesco, verdienstelijk sportsman en zoon van een Bibesco, die in dubbele mate Fransman heten mag door de twee oorlogen, waar hij aan deel nam, dien van Mexico en dien van 1870; dan zijn zeer jonge vrouw, die altijd bloemen had en die evenveel van verzen hield als van bloemen, terwijl zij er zelve zeer mooie maakte; verder haar nicht mevrouw Michel C. Phérékyde en den man van deze laatste, oud-leerling van Louis-le-Grand; prins Emanuel Bibesco, den ontwerper van deze reis, die in Rusland en den Kaukasus de verantwoordelijkheid voor onze expeditie op zich nam; den heer Leonida, Roemeens sportsman, en mijn persoon.

Buitendien onze drie chauffeurs, Keiler, een Zwitser, Eugène, een Fransman, die niet van de zee hield, en den melancholieke Giorgi, een Roemeen. Zij hadden nog wel eens reden, zich te verbazen dat wij op deze wijze voor ons plezier reisden.

Laat ons vooral ook niet vergeten de drie wakkere automobielen, die ons vervoerden, een Mercedes van 40 paardenkrachten, een open wagen met kap; dan een Mercedes van twintig paardenkrachten, en een Fiat van zestien, alle van hetzelfde jaar en dezelfden aard.

Gedurende twee dagen en twee nachten rolde ik in exprestreinen naar het oosten; ik reed over München, Wenen en Boedapest, maar den elfden April ging het dan werkelijk naar Perzië, en wij waren tegen negen uur in den morgen bijeen in het hotel op den boulevard te Boekarest. We zagen er schilderachtig uit in onze stofmantels, regenmantels, bont, verschillende petten, gevoerde handschoenen, laarzen, slobkousen, putties en wat niet al, dat toonde, hoe wij niet maar voor een paar dagen op reis gingen. Bloedverwanten en vrienden waren bij het vertrek aanwezig.

Buiten stonden automobielen te puffen in de koude lucht. Ze behoorden aan leden van de Automobielclub van Roemenië, die ons zouden geleiden naar Giurgevo aan de Donau, waar we aan boord van een Oostenrijkse stoomboot zouden gaan, want deze autoreis begint met de boot.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *