Karpaten

Plaatsen > Karpaten

De Karpaten is een gebergte, dat door heel Roemenië loopt. De zuidelijke Karpaten zijn het hoogst (tot 2500 meter).

In het Nationaal Park Retezat kan men de zoogdieren, die hier nog volop voorkomen, goed bestuderen omdat er niet op wordt gejaagd.

In het noorden (Rarau-gebergte) liggen nog oerbossen met beuken van meer dan 400 jaar oud.
Ook in de Karpaten is de verstoring door de mens te zien, echter minder dan in de andere Europese bergketens. Bij Braşov buigen de Karpaten richting het westen van Roemenië. De Karpaten worden doorsneden door diepe dalen en bestaan ook uit afzonderlijke bergmassieven.

Tussen de Karpaten en het vlakke land zijn heuvels te vinden. Aan de Transsylvanische kant van de Karpaten liggen Munţii Calimanului en Munţii Harghitei; vulkanische berggebieden.

In de Zuidelijke Karpaten – ook wel de Transsylvanische Alpen genoemd – vindt men bergmassieven, waaronder Munţii Bucegi en Munţii Făgăraşului. De laatste bevat tevens de hoogste berg van het Roemeense grondgebied: de hoge Moldoveanu ( 2544 meter ). In de eerst genoemde kan men bronnen en grotten vinden.

Andere gebergten die Roemenië rijk is, zijn het Banater-gebergte dat te vinden is in het westen bij de Donau en het Bihor-gebergte in Transsylvanië. Verder bestaat er ook nog de Transsylvanische Hoogvlakte die van 400 tot 600 meter boven de zeespiegel gaat en de Donauvlakte met in het oosten de Baragan-steppe. Dan hebben we nog uiteindelijk de Dobroedsja en een hoogvlakte in de buurt van de stad Bacău.

 Het is zeer goed mogelijk om in de Karpaten (druipsteen)grotten te bezichtigen. Roemenië is daarom – en zeker de Karpaten – uitstekend geschikt voor speleologen.

Het Apuseni-gebergte maakt deel uit van de West-Karpaten en ligt tussen de steden Oradea, Stei (Dr. Petru Groza) in het westen en Cluj-Napoca en Turda in het oosten.

Men vind in de karpaten uitgestrekte loofbossen (vooral beuk en eik) met hun specifieke plantengroei en op de hoger gelegen delen naaldbos (spar).
De flora is er uitbundig, al zijn er ook uitgestrekte delen overbegraasd door schapen, koeien en paarden. Op de bergweiden vind men vele zeldzame plantensoorten, waaronder de Sering (Syringa Josikaea) en de Dacische Lijsterbes (Sorbus Dacica). In het voorjaar kleuren de weiden uitbundig, in mei en juni is het gebied op z’n mooist.

De fauna is er nog compleet met de grote rovers bruine beer, wolf en lynx. Anders dan in het Nationaal Park Retezat zijn ze hier door bejaging erg schuw en men zal ze vrijwel zeker niet tegen komen.
Dat geldt niet voor de andere diersoorten, zoals ooievaar, waterspreeuw, notenkraker en ijsvogel. Wie er oog voor heeft zal ze kunnen observeren. ‘s Nachts kan men de roep van de oehoe horen.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *