1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Wij reden met gematigde snelheid, tot op den terugweg de koetsiers grapjes begonnen, en een wedren gaan houden. Zij willen elkander voorbijrijden. De voorste gooit zijn rijtuig naar links of rechts, om den ander den weg te versperren. Ik weet zeker, dat het een heel aardig gezicht moet opleveren voor toeschouwers in een circus, maar wij zitten in de rijtuigen en vinden de zaak minder grappig. Twee- of driemaal zouden we zoo in een petroleumplas terecht komen. Tevergeefs waarschuwen wij de koetsiers.

Ze roepen: “Soeda, Soeda!” en jagen verder. Ik vergeet nooit hun gebruinde gezichten en de levendige ogen….

Eindelijk raakte ons rijtuig voor. Wij hadden den ren gewonnen.

Kalm reden we Bakoe weer binnen.

Daar liepen wij te voet door de oude Perzische stad, en in het hotel vroeg een respectabel inwoner van Bakoe ons naar onze reisplannen. Toen hij hoorde, dat wij naar Perzië gingen, zuchtte hij: “U gaat naar Perzië? Wat moet ge u gelukkig voelen! Daar zult ge tenminste veilig wezen!”

Om tien uur ’s avonds gingen wij scheep, na tot op het laatste ogenblik vrees te hebben gekoesterd, dat een plotseling in de haven uitgebroken werkstaking ons zou verhinderen naar Perzië te vertrekken.

Het gaat goed. Het anker wordt gelicht en de stoomboot glijdt over de stille wateren, waar de duizenden lichten der stad zich in spiegelen. De rede van Bakoe bij nacht levert een interessant schouwspel op.

Toch zeiden we ze zonder weemoed vaarwel.

Wij gaan eerst in Perzië aan wal.

Op 8 Mei naderden we langzaam het land onzer hope. Vijf uren lagen we te Lenkoran voor anker. Dat is een in de bomen verscholen Russisch stadje. Er achter verheffen zich de grote kruinen van de Ghilanbergen, met wouden bedekt. Een blauwachtige damp hangt in de atmosfeer, verzacht de omtrekken en geeft aan dit land iets fluwelig, iets onwezenlijk bekoorlijks, dat aan enkele Vlaamse landschappen eigen is.

Het is intussen een der ongezondste streken der aarde en ook een der meest woeste. Nog voor enkele jaren huisden er tijgers in die bossen.

Tijgers! Wat zijn we ver van Ile de France!

Rondom de boot vliegen zwarte cormorans.

Aan het ontbijt gaf een astmatische Russische doctores ons inlichtingen over de organisatie van de medische hulp in den Russische veldtocht. Als men haar hoort, zou men menen, dat Rusland in dit opzicht, net als in alle andere, aan de spits der beschaving staat. Wij behoeven haar gelukkig niet te geloven.

In den namiddag kwamen we te Astara aan de Russische grens. Een volle boot met gegalonneerde Heeren kwam bij ons aan boord, en de passagiers moesten zich aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen, terwijl ik voor de honderdste maal onze paspoorten moest vertonen.

Wij lagen bijna een kilometer uit de kust voor anker, want er was weinig water, en onze boot kon niet dichter bij de kust komen.

Des nachts ging het verder, nu naar Enzeli.

Er was maar één ding, dat ons bezig hield, namelijk het weer van den volgende dag. Als er een hoge zee is, moet de postboot ons naar Bakoe terugbrengen. Het zou een bittere teleurstelling wezen.

Wij raadpleegden mijn barometer. Hij ging achteruit, en daar begon ook al een flinke regen te vallen, terwijl de boot begon te rollen. Toch vielen we in slaap… [97]

Het weer was ’s morgens te Enzeli grijs; er vielen af en toe regenbuien; een frisse oostenwind zweepte de zee en joeg de golven op, die hoog genoeg waren om de kust met schuim te bedekken en het schip erg te doen schommelen. Maar de kapitein hield vol, dat wij aan wal konden gaan. De kust was in nevelen gehuld; we konden flauwtjes lage gebouwen onderscheiden, met een toren en enkele bomen. Wij keken onze ogen uit. Dat is Perzië, daar voor ons!

Bootjes kwamen van land en een klein stoombootje, dat al gauw naast ons lag en aan onze boot gemeerd werd. Wat gaat het op en neer! Een auto hadden wij nooit hier kunnen ontschepen. Het zal een tref zijn, als we zelf van de boot af komen zonder een of ander lichaamsdeel te breken!

Onze koffers en valiezen werden zonder ongelukken vastgebonden en ontscheept. Toen kwamen wij aan de beurt. Er moest gewacht worden tot de kleine boot omhoog ging en naast de onze kwam; als ze dan boven was, moest men een der stangen grijpen, waar bij kalmer weer de zonnetent aan vast werd gemaakt; twee matrozen duwen iemand naar den rand, men doet een sprong, en twee andere zeelui nemen u in ontvangst, terwijl de kleine boot weer neervalt in een golfdal.

De dames brachten het er goed af; nu waren we op een klein dek, waar het water overheen sloeg, en tien minuten later waren we te Enzeli aan de kade, eindelijk in Perzië!

We bleven eerst op de boot. Beleefde ambtenaren, Belgen, kwamen ons begroeten. Het waren Heeren van de douane, maar de menigte om hen heen was wel echt Perzisch. enige mannen droegen de nationale muts van gekruld lamsvel; anderen een vilten hoed zonder rand, die op het hoofd geplakt stond en waaruit aan beide kanten toefen haar uitkwamen, die over de oren hingen. Bij die haren zal de profeet zijn getrouwen optrekken naar zijn paradijs, natuurlijk alleen als ze zijn geboden hebben opgevolgd.

Die Perzen dragen voor het merendeel wijde, bruine kleren. Enkele baarden van een lichte mahoniehoutkleur verhogen voor ons de belangwekkendheid van deze exotische menigte. Ze kijken ons zeer nieuwsgierig aan, wat wij op dezelfde manier beantwoorden.

Perzië te Enzeli, dat gelijkt op Cochin-China.

Ik ben niet in Cochin-China geweest, maar naar beschrijvingen moet het hierop lijken.

Een vlak land, zand, biezen, zeer groene bomen en veel water. Aan beide zijden van het brede water, dat de Kaspische Zee in verbinding stelt met het grote binnenmeer, de Moerdab, staan strooien hutten op palen, en op het houten stoepje voor de hutten zijn goederen uitgestald. Platboomde vaartuigen brengen die aan; de beide einden van de jonken zijn spits en omhooglopend, en een groot vierkant zeil wappert hoog in den wind.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *