1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Prachtig was het klooster gelegen, driehonderd meter boven de diepblauwe zee, op een steile rots, en het moet voor de monniken met de lange haren niet moeilijk wezen, dag aan dag God te loven en te prijzen, dat hij hen in zulk een heerlijk oord laat leven. Over Balaklava reden we door een mooi en afwisselend land naar Yalta.

Het was er nu rustig, maar het oproer had er huisgehouden, en hier en daar was geplunderd. Wij hadden tot nu toe niets van al de onlusten, waarvan de couranten vol hadden gestaan, gezien; maar we hadden ons wel degelijk op gevaar gewapend. Ieder van ons had een revolver. Dan was er in de auto een karabijn en een jachtgeweer, waar we telkens onze benen zeer aan deden; de dames droegen een dolkje, dat alleen gediend heeft, om de bladen van Steindhal’s “Amour” open te snijden, maar dat in geval van nood dienst kan doen. Ik moet bekennen, dat van het begin af de wapens in de diepte van onze valiezen hebben gerust, want al is het al een grote last, een revolver te kopen, het is nog een veel grotere, het wapen in zijn broekzak te dragen.

Kort na onze aankomst hoorden we, dat Maxime [92]Gorki in een villa in de buurt woonde. Bij een apotheker kregen we het adres, en ik toog er op uit. Door het mooie park van Tsjoekoerlar reed ik er heen en het laatste huis van een kronkelende laan met veel villa’s was het huis, waar Gorki met zijn vrouw woonde. Bij de deur verstond de meid mij niet, maar toen ik een paar passen in de vestibule had gedaan, verscheen de stoere figuur van den dichter, die toen nog veel van de rechtvaardigheid van de Russische regering verwachtte. Wij hebben lang en veel over de Franse en Russische letteren gesproken en ik zal altijd de aangenaamste herinnering aan de gesprekken van hem en van zijn vrouw behouden, waarbij mevrouw Gorki onze tussenpersoon was, want Gorki zelf kende geen Frans.

In de omgeving van Yalta reden wij door een verrukkelijk land. De geuren van de lente waren overal, en wat natuurschoon aangaat kan de Krim met de beroemdste oorden wedijveren. Men zou hier weken willen blijven, maar wij zijn al ten achteren met ons reisplan en nog zoo ver van Teheran! Zullen we daar ooit komen?

Livadia, de zomerresidentie van den Czar, was onbewoond; wij zagen het park en het eenvoudige woonhuis. Bloemen waren er veel, en veel soldaten. Bij elke bocht van een laan stonden soldaten; op de grasperken exerceerden ze en ze zaten op de treden der trappen. De kleur der uniformen staat niet lelijk tussen het groen, maar hier in Livadia is er te druk gebruik van gemaakt.

Op 21 April gingen we aan boord van de Grand Duc Boris, die van Sebastopol kwam en ons over de Zwarte Zee zou voeren. In de hutten vonden we al onze bagage, en bij helderen maneschijn zeiden we vaarwel aan Yalta met de witte terrassen en de slapende villa’s. De boot deed Novorossisk aan en Soekhoem en kwam den 24sten in de plaats onzer bestemming, Batoem. Het is het best, maar niet stil te staan bij die dagen op zee; de mens is blijkbaar er niet voor bestemd, om als een fles, die omgespoeld moet worden, dagen lang te worden geschud. Wat er van ons over was werd in Batoem naar het hotel International gebracht.

De stad was in den kleinen staat van beleg. De poort van het hotel was op slot en de vensters waren gebarricadeerd. De koetsier schelde; een soldaat deed de poort open, stemde er na wat onderhandelen in toe ons op te nemen, en liet ons binnen.

De bedienden staakten; er waren geen levensmiddelen, en niemand wou ze aan den heer des huizes leveren, die met den dood was gedreigd door de revolutionairen.

We kregen een somberen indruk van de lege gangen, en in een salon op de eerste verdieping dronken we bij een schrale verlichting een glas thee, filosoferend over wat ons mogelijk wachtte. Ziedaar onze aankomst in den Kaukasus.

Den volgende morgen scheen de zon.

Met Emanuel Bibesco ging ik uit; overal soldaten met de bajonet op het geweer. mensen met donkere en dreigende gezichten liepen rond, van plundering teruggehouden door de aanwezigheid van al die militaire macht. We zagen de meest verschillende [93]typen, weinig Russen, maar Armeniërs, Georgiërs, Turken, Joden, Tsjerkessen, Tartaren, Lesghiërs, slenterend in de vuile straten aan de haven.

Gelukkig zijn wij nog maar enkele uren in Batoem en hebben er nog geen vijanden, of men moest het ons kwalijk nemen, dat we logeren in een hotel, dat door de revolutionaire comités op den index is geplaatst. We horen veel over die comités in de twee dagen die we hier blijven; er zijn er drie, naar het schijnt, een Georgisch, een Armeens en een Russisch. Dat is wel veel voor een enkele stad, en de ter dood veroordelingen, die ze uitspreken, zijn geen ijdele bedreigingen.

Er staan in de straten populieren met heerlijk fris groen. Wij reden erlangs, toen we naar den gouverneur-generaal gingen, een man van echt Mongools type. We kregen van hem slecht nieuws.

De enige weg van Batoem naar Tiflis gaat over een hogen pas bij Akhaltsikh. Maar door het slechte weer, dat al een maand duurt, zijn de sneeuwhoopen zoo hoog, dat alle gemeenschap met Tiflis langs den weg verbroken is. Dus is het onmogelijk, ons plan uit te voeren en per auto in de hoofdstad van den Kaukasus aan te komen. Een grote teleurstelling.

Wij besloten een tocht te doen in het schone Tsjorokdal, voor we per trein naar Tiflis gingen of eigenlijk naar Koetaïs, want van daar willen we toch nog beproeven over den Madisonpas Tiflis per motorwagen te bereiken.

In twee auto’s vertrokken we, maar niet alleen. De ordonnansofficier van den gouverneur ging met ons mee. Hij was een Georgiër van origine, had te Sint-Petersburg gestudeerd, en daar hij Frans sprak en het land kende, was hij ons een aangenaam reisgenoot. Wij kregen ook een Kozak, die op de trede van het rijtuig plaats nam.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *