1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Zou het niet beter zijn, naar Bolgrade terug en dan toch met den trein naar Odessa te gaan?

Er zou iets smadelijks zijn in dien laatste maatregel, zich te laten overwinnen door de bezwaren van den weg en dat op den allereerste dag! Neen, de lucht klaarde op; de barometer heeft neiging om te stijgen, de grond moet wat opgedroogd zijn, nu het in de laatste drie uur niet heeft geregend, dus wij vertrokken naar het onbereikbare Tatar-Boenar.

Wij lieten in het dorpje Leonida achter met zijn wagen en zijn chauffeur, die ons later zou volgen en tegen half zes gingen we weer op weg. De aarde was nog week en kleefde aan de wielen; het ging niet veel beter dan des morgens, maar we kwamen toch vooruit. We reden nog een eind om, moesten weer de lantaarns aansteken, maar arriveerden dan toch in dat Tatar-Boenar, waar we om twaalf uur hadden willen zijn. Nu was het tien uur in den avond.

We verdronken bijna in de straten, die slechts modderpoelen waren. De commissaris van politie hield ons voor verdachte lieden, en wij wilden maar van hem het hotel hebben, dat ons hier was beloofd. Er was intussen geen hotel, en bij het zien van het plaatsje moest men zich wel afvragen, waarom daar ook een hotel zou zijn. Sedert het ontstaan van het nest is er stellig nooit een West-Europeaan geweest, [90]en na ons zal er wel nooit meer een komen.

In een vieze herberg bood men ons het enige, wat men had, een onsmakelijk kamertje met drie bedden, vlak op elkaar. Er was een niet te beschrijven reuk, en men kon er niet aan denken daar een oog dicht te doen.

Toen sprak Emanuel Bibesco, die onze ontmoediging zag, over Ackermann, een stad van 80,000 inwoners, met prachtige hotels, zindelijke bedden, baden en smakelijk eten. Hij beweerde, dat er ons nog geen zestig kilometer van scheidden. “Laat ons hier een uur uitrusten, laten we soupeeren, daar wij niet geluncht, noch gedineerd hebben, en laten we dan om elf uur vertrekken, dan zijn wij om één uur in den morgen in dat gezegend Ackermann.”

Ik trachtte nog wat verstandigs te zeggen, door erop te wijzen, dat we een tocht vóór ons hadden, die even lang was als die van ’s morgens door een onbekend terrein en mogelijk in den regen, en dat alles ’s nachts. Maar ik liet mij overreden. Tatar-Boenar had ons te erg teleurgesteld. De dames waren bereid voor den nachtelijke tocht, en we zouden gaan. Doch eerst soupeeren!

Dat was ook al niet gemakkelijk. Er was niets te eten. Eindelijk kwam een blikje verdroogde sardines voor den dag en een stuk worst. Wij aten sardines en worst, tot in de kamer naast de onze veel mensen kwamen en de reuk zoo ellendig werd, dat men niet eten kon. Om elf uur zouden we juist gaan, toen het valies van Emanuel Bibesco bleek te ontbreken. Iemand had er zich in den donkeren nacht mee uit de voeten gemaakt. Wij lieten den commissaris roepen, die niet verbaasd was. Keller zou met hem de herberg doorzoeken. Keller kwam terug, verontwaardigd, want men had hem niet overal willen toelaten. Levendige discussies; nieuw onderzoek van de herberg. Onnodig te zeggen, dat het kostbare valies niet werd teruggevonden. Het bevatte, behalve linnengoed en klederen, gidsen voor de gehele reis, gidsen, die, zoals blijken zou, onmisbaar voor ons waren.

Tegen half twaalf verlieten wij het verfoeilijke Tatar-Boenar met een wegwijzer op de trede van onzen wagen, om ons den weg door de stad te wijzen.

Het bevel werd gegeven, elkaar niet uit het oog te verliezen. Voorop reed de grote Mercedes; ik zat in het rijtuig van de machinisten, en Leonida was nog niet weer bij ons.

Wij reden zoo snel mogelijk, zonder veel te vorderen, want de weg werd al gauw afschuwelijk. De nacht was stikdonker. Wij verloren het voorste rijtuig uit het oog. De chauffeurs werden bang, en onze lantaarn ging bijna uit. Voorzichtig ging het verder, maar daar zagen we in de verte een licht; dat was onze voorrijder, die ons wachtte.

Hoe laat is het? Eén uur in den morgen. Waar zijn dan de lichten van Ackermann? Ik hoor lachen van de dames in den groten wagen.

Vooruit maar!

Telkens zaten we vast in kuilen, waaruit soms de grote Mercedes ons moest helpen. Toen het drie uur was, lachte men niet meer in het grote rijtuig. Altijd de woestijn om ons heen en geen Ackermann, geen Ackermann! Eindelijk wat daglicht in het Oosten en een paar karren op den weg, en toen we nog een half uur hadden afgelegd, verschenen voetgangers en huizen, een bedompte voorstad en werklieden, die zich naar hun werk begaven. Dat is de stad.

Waar is het hotel? Er is geen hotel, maar een vuile herberg, waar ze ons kamers geven zonder lucht, die op een binnengalerij uitkomen. Dat is nu het beloofde paleis!

Het is tweeëntwintig uren geleden, dat we Bolgrade hebben verlaten; wij hebben in dien tijd niet geslapen en maar heel weinig gegeten; we hebben doorstaan honger, regen, koude, gebrek aan slaap en vermoeienis. We hebben avonturen willen zoeken, welnu daar zijn ze, en we zijn er niet bijzonder mee ingenomen.

Twee uur van onrustige slaap, toen moesten we opstaan, om Leonida te ontvangen, die den gehelen nacht had doorgereisd. Hier in Ackermann moeten we de Dnjester oversteken, die tien kilometer breed is. Dank zij den bevelen van den gouverneur vonden we voor de auto’s een schuit gereed liggen naast de stoomboot, waar we mee zouden worden overgezet.

Twintig kilometer ver was de overtocht over de rivier in schuine richting. Het was donker, want het scheen wel of de lucht op onze schouders rustte, en al gauw begon een fijne regen te vallen, die ons van het dek jaagde en de oevers voor ons verborg.

Te Ovidiopol had de politie gevlagd te onzer ere en stond erop, dat we thee gebruikten, wat we niet konden weigeren, maar wat ons lang ophield. Het was al vijf uur; maar we hadden ook maar 38 kilometer meer tot Odessa. Eindelijk reden we weg, en voor het ogenblik regende het niet.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *