1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

De mens is toch het vuilste dier der schepping. Hij is het vuilste van al wat bestaat, want op de straatstenen regent het nog nu en dan; maar als het regent, kruipt de boer uit Bessarabië weg, en hij kent helemaal het gebruik van water niet.

Eindelijk zijn we onder weg. De marsorde is de volgende. Eerst de grote Mercedes, dan de [88]kleinere met Leonida en dan de Fiat met de machinisten en de bagage. Zoo zijn wij zeker, dat als we wat krijgen, de chauffeurs ons te hulp kunnen komen.

We rijden op Russische grond. Het is zwaar werk. De weg tussen de dunne bomen is vol stenen met hier en daar onverwachte kuilen. En daar op tien kilometer aftand van Ismaïlia houdt plotseling de weg geheel op. Mijn vrienden waren er niet zoo verbaasd over als ik, en ze dreven zonder haperen hun rijtuigen in het veld, de gaten volgend vóór ons, waar andere wagens hadden gereden. De grond was zacht, en we kwamen niet gauw vooruit. In regen zou dit spoor onberijdbaar wezen.

Zoo ging het verder over de donkere aarde, waar de boeren aan het werk waren met spannen ossen, tot de avond viel en het licht van onze lantaarns grote vlekken wierp over het eenzame land. Daar zagen we eindelijk een groepje huizen, het stadje Bolgrade, waar we onzen eersten nacht op Russisch grondgebied zouden doorbrengen. Alle honden huilden ons tegen, toen wij bij de herberg stilhielden, en toen we het binnenplein opreden, stonden enige gorodovoïs of agenten van politie bij den ingang van de poort, om anderen den toegang te beletten, want wij werden verwacht.

De binnenplaats was ledig, en op de markt buiten waren veel mensen bijeen. Door een merkwaardig verschijnsel van endosmose filtreerden de boeren één voor één door de deur, die door de agenten gesloten werd gehouden.

Bolgrade! Wij hadden de ergste verwachtingen, en we waren voorbereid op vuilheid, ongedierte, middelmatig voedsel, want het was immers een gat, dat Bolgrade! En ziedaar wat een verrassing! In een gebouw aan de plaats waren vier kamertjes met witte muren en lakens in ijzeren ledikanten! Er werd ons een dragelijk maal voorgezet, dat met een heerlijk bessarabisch wijntje werd besproeid.

Ons troepje was in de beste conditie. Wat is het goed geweest, dat we zijn gegaan, en niet hebben geluisterd naar de ongeluksprofeten, die ons allerlei rampen voorspelden!

Den volgende dag stonden we om zeven uur op voor een langen dag in de automobiel. We hebben 250 kilometer te doen, om in Ackermann, de grote stad aan den mond van de Dnjester, te gaan logeren.

De ervaring van den 12den had ons geleerd, dat we niet aan snelheid moesten denken, en dat als er regen kwam, we niet vooruit zouden kunnen. Dadelijk ’s morgens raadpleegden we mijn reisbarometer. Helaas, die stond laag, op 740 millimeter. Wijze mensen zouden in Bolgrade den trein naar Odessa hebben genomen; maar wij hebben Parijs en onze zaken niet verlaten om wijs te wezen; het regent nog niet, en wij zullen per auto gaan.

Om negen uur konden we vertrekken. Te laat, want we kenden nog niet den tijd, die nodig was om onze achtentwintig stuks handbagage te pakken en op de auto’s vast te maken. Toen we dien kenden, was het trouwens hetzelfde, en we gingen voort met te laat te vertrekken, daar het ons tot gewoonte was geworden.

Boven Bolgrade ging het eerst tegen een heuvel op en van de hoogte overzagen we het vlakke land Bessarabië, zonder bomen, met hier en daar een heuvel of een ouden observatiepost van de Romeinse legers onder Trajanus. De grens van het grote rijk liep hier langs; aan den anderen kant was het gebied der barbaarse Sarmaten. Op een mijl afstand kon men in de totale eenzaamheid de figuur van een enkelen herder zien, die bij onze nadering vluchtte. Als een eindeloze zee lag het land met kleine golfjes, en de weg was afschuwelijk, vol modderkuilen, en nu eens driehonderd meter breed, dan niet breder dan drie meter. Een weg is namelijk in Bessarabië iets, waar geen ingenieur aan te pas is gekomen, een ding, dat net doet wat het wil. Als zo’n weg een kloof ziet, loopt hij er pardoes in, net als in een rivier, en dat is eigenlijk nog het beste, want als men een brug heet te hebben aangelegd, is alles veel moeilijker. Dan zijn er gaten en kuilen tussen de stenen, dat men er een wiel in moet verliezen. We doen niet meer dan twintig kilometer in het uur, en we worden geschud, alsof we honderd deden op de mooie, gladde wegen van Ile de France.

Daar begon het te regenen, een dichte, harde regen, en al spoedig was de weg doorweekt. Onze Mercedes deed al haar best, maar zakte al dieper weg en de modderkuilen waren zoo week, dat onze carter1 den grond raakte. De grote Mercedes zat vast. Waren we maar niet zoo ver nog van Tatar-Boenar, waar we zouden dejeuneeren! De twee wagens van de anderen waren niet in het gezicht. Wat zou hun overkomen zijn?

Na een uur hield de regen op en met verbazende moeite werd de wagen uit den kuil getrokken. De dames vonden nog viooltjes in een sloot, welkome ontmoeting in de wildernis. Maar toen moesten wij terug, om de anderen te zoeken, en we vonden ze in een droevige toestand; de kleine Mercedes worstelde tegen een heuvel op en toen ze eindelijk in een armoedig dorp was gekomen, waren er allerlei reparaties nodig. Ten laatste arriveerde ook de auto der machinisten, die maar niet konden begrijpen, wat wij voor ons plezier in Bessarabië deden.

In het armoedige dorp La Fontaine aux Fées, werd ons de herberg gewezen, tegelijk kruidenierswinkeltje. Er was niets eetbaars en wij behielpen ons met harde eieren. Wij hielden raad. Wat te doen? We waren nog veertig kilometer verwijderd van Tatar-Boenar, een stadje van 5000 inwoners volgens Emanuel, die de boeken en kaarten heeft bestudeerd. Zullen wij zoo gelukkig wezen, vandaag nog daar aan te komen en dan morgen Ackermann bereiken? Maar beter weer is er voor nodig, dat hebben wij bemerkt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *