1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Het is vernederend voor ons, door zulk een bediende ons te laten vertegenwoordigen. Wij zenden hem dus naar den bazaar, om zich een jas en een broek en een nieuw buisje te kopen met een paar witte schoenen, zoals in Ispahan worden gemaakt, en waar hij al acht dagen over praat als over het toppunt van élégance in zake Perzisch schoeisel.

Aimé komt met een groot pak terug en met een lange rekening. Den volgende dag ontmoet ik hem in zijn oude kleren; ik stuur hem weg, om zich aan te kleden; hij verdwijnt en wij krijgen hem den helen dag niet weer te zien. Den dag daarop en de volgende dagen dezelfde historie. Hij wil zich niet in de nieuwe kleren steken, en wij worden maar steeds vernederd in onzen bediende.

“Zeg, jij, wil je mij wel eens zeggen”, vroeg ik hem op den dag van ons vertrek, “waarom jij hebt geweigerd, de kleren te dragen, die wij voor je hebben gekocht?”

“Och, Meneer”, zei hij met zijn slepende stem, “waarvoor zou ik ze aantrekken? Ik ken hier niemand. Ik bewaar ze voor Teheran, waar ieder weet wie ik ben.”

Wij gingen plechtig onze opwachting maken bij Zil es Sultan, de Schaduw van den Souverein, die voor onzen luisterrijken intocht in Ispahan heeft gezorgd.

Hij is de oudste broeder van den Shah, maar daar hij niet de zoon was van een wettige vrouw, mocht hij zijn vader niet opvolgen. Dat is jammer voor Perzië, want hij is een zeer verstandig man met veel energie. Hij is voorstander van den Engelsen invloed, en hij vindt de Engelsen veel minder gevaarlijk voor Perzië dan de Russen. Hij is geabonneerd op de Times en op de Temps en laat zich beide voorvertalen door zijn zoons, die een fransen gouverneur hebben gehad en ontwikkelde, flinke, aardige jongens zijn.

Wij werden in het zomerpaleis ontvangen. Men komt er door een van die echt Perzische tuinen met jonge, dichtopeenstaande bomen, rechte lanen, vijvers met irissen aan den kant, die ons zoo aantrekkelijk voorkomen. De Russische zaakgelastigde stelt ons voor en daar zitten we in een kring in een Perzisch salon, een lang en smal vertrek, met aan beide kanten de ramen open. Het is op zijn Europees gemeubeld.

De jonge prinsen Bahram Mirza en Akhbar Mirza spelen voor tolk, en toen de officiële complimenten [172]zijn gewisseld, neemt het gesprek een vrijen en belangwekkende gang. Zil es Sultan, die nooit uit Perzië is geweest2, is goed op de hoogte van de Europese politiek. Hij weet, hoeveel miljarden wij aan Rusland hebben geleend en vertelt ons anekdoten over onze staatslieden. Hij spreekt over den fameuze heer Combes. Zou men het geloven? De roem van den heer Combes is wel universeel.

Maar het is heel natuurlijk, dat de Perzische staatslui zich voor Combes’ politiek interesseren, want de enige macht, die zich tegen de in naam absolute macht van den Shah verzet, is die der priesters, der mollahs, en Zil es Sultan, die in termen vol lof over Frankrijk sprak, zeide, dat Perzië een minister als Combes nodig had, om de mollahs tot rede te brengen.

Wij gebruikten thee, ijs en koffie en gingen in de galakoetsen heen.

Wij bezochten ook de Medresseh, de oude theologische school, waar nu een drukbezocht park is. Er zijn weinig mooier parken. Wij wandelden op de terrassen der gebouwen en zagen de oude kamers van leeraren en leerlingen. Alles was nu onbewoond. Er werden in den tuin verversingen aangeboden, en eerst was het er zeer vol met een menigte, die alleen uit mannen bestond. Ze drongen in den aanvang om ons heen, want niet alleen zijn wij vreemdelingen en christenen, maar ook hadden wij vrouwen bij ons, die haar jonge gezichten ongesluierd laten zien. De Kozakken van het consulaat duwen zonder geweld de nieuwsgierigen terug, en deze hervatten langzaam hun gebabbel aan den oever van de waterplassen en hun rustig roken, door slokjes thee of koffie afgebroken, en wij wandelen verder ongestoord onder de eeuwenoude platanen.

Des morgens kwamen de dellals weer, om ons een en ander te verkopen, als te Teheran, en in den namiddag gingen we rijden en brachten bezoeken aan paleizen, als dat van de Veertig Zuilen en dat van Ali Kapoe.

Op een avond zouden we bij Zil es Sultan dineren. Uit den aard der zaak was ons toilet gebrekkig. Wij hadden in het enige valies, dat ieder van ons gegund was, slechts plaats voor het linnengoed en een extra paar laarzen. De vernuftige Aimé had in persoon blouses voor de dames gewassen en gestreken en met de rode rozen was dat geheel in orde. Twee van ons hadden zwarte jacquets, welk een weelde!

Een ander, minder gelukkig, heeft geen ander overhemd dan een nachthemd, gelukkig van zijde. Hij knoopt onder den kraag van zijn hemd een grote lavallière, die uitgespreid wordt over een khaki vest, om met haar zwart er deftigheid aan bij te zetten. Op het vest volgt een grijze, vermoeide broek, die rust op tennisschoenen met gaten. Ik had een korte broek aan en kousen van de soort alsof ik op een bergtocht moest, maar ik heb een overhemd en onberispelijke boord en manchetten.

Wij defileren voor de gardes van het paleis en leggen in onze démarche al de waardigheid, die aan onze kleding ontbreekt. Ik zal nooit vergeten de voor een hof geschikte révérences van de dames in de korte reisjaponnen en evenmin den prachtige turkoois, dien onze gastheer op de borst droeg. Die steen was intens donkerblauw, groot [173]als een kippenei en was gevat in een kring van diamanten.

Tijdens het diner speelde een orkest onder de bomen van den tuin melancholieke melodieën. Zij pasten bij onze stemming, want den volgende dag zou het echtpaar Phérékyde ons verlaten. Hij moet op een bepaalden datum in Roemenië zijn en hij is voorzichtig, wetend wat de reis door de woestijn betekend. Er is den 11den Juni een boot te Enzeli, en die hoopt hij te nemen. Daarom moeten ze weg.

Op den Delijanpas.

Wat ons betreft, wij zouden liefst geen plannen maken; wij hebben te veel moeite gehad om Ispahan te bereiken en zouden er in het oneindige willen blijven. Het denkbeeld van de terugreis vervult ons met schrik. Desniettemin zullen wij de stad der rozen moeten verlaten en we bepalen ons vertrek op Vrijdag 3 Juni in den namiddag. Georges Bibesco heeft naar Keller getelegrafeerd, om de Mercedes naar Koem te brengen. Zoo vermijden wij de laatste etappe van 150 kilometer, die wij in 25 lijdensuren per diligence hebben afgelegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *