1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Bij de eerste sjapar khané konden we nog in de open lucht ontbijten, maar den verderen dag was weer de hitte ondragelijk en om de honderd kilometers tussen ons en Ispahan vlugger af te leggen, besloten we maar weer des nachts te reizen. Maar om drie uur in den morgen gingen we toch maar schuilen in de ellendige herberg en sliepen tot acht uur. Als we niet wisten, dat Ispahan niet ver meer was, bleven we hier, want we kunnen haast niet verder.

Het was nu alles vlakte en zand. Eindelijk tegen één uur ontdekten we aan den horizon een lijn van bomen.

“Ispahan!” roept Aimé van den bok.

Ispahan! Wij naderen langzaam; nu kunnen we al tussen de bomen koepels onderscheiden van de moskeeën, een blauwe aan den linkerkant is hoger dan de andere; het is de Koninklijke moskee.

Bij de laatste wisselplaats wacht ons een coupé met vier paarden, waaruit een Pers in een deftige, zwarte jas stapt. Hij stelt ons een brief ter hand van Zijne Hoogheid Zil es Sultan, den broeder van den Shah en gouverneur van Ispahan, die ons gastvrijheid aanbood in een van zijn paleizen en ons zijn rijtuigen aan de poort der stad tegemoet zendt.

Wij nemen de rijtuigen aan en danken voor de paleizen, want we worden verwacht aan het Russische consulaat.

We gaan weer op weg. Nu rijden we langs velden met witte papavers, die een koelen gordel om Ispahan leggen; irrigatiekanalen kruisen ieder ogenblik den weg.

Wij zien er bleek en afgemat uit. We wekken onszelven echter op in de oude diligence, want onze energie is nog onverflauwd, en we zijn niet ver van Ispahan.

Daar zijn de poorten der stad. Een generaal en honderd Kozakken in het rood wachten ons en escorteren twee landauers in groot gala, geheel van glas. De carroezar of burgemeester is er, om ons te ontvangen.

Wij gevoelen, dat onze oude wagen veel beter in overeenstemming is met ons uiterlijk dan de koetsen van Zil es Sultan. Zes dagen in de woestijn hebben hun sporen achtergelaten op onze gezichten en onze kleren. Wij hadden aan een bescheiden inkomst in Ispahan stellig de voorkeur gegeven; maar de koetsen zijn er, en wij moeten instappen. De rode Kozakken rijden voor ons uit en zoo gaat het door straten en bazaars.

De menigte verdrong zich op onzen weg. Zij kreeg door wolken stof, die het geleide te paard opwierp [171]Europeanen te zien, die omgekapt en ontredderd waren; maar wij zagen er toch triomfantelijk uit, want we waren in Ispahan.

We gingen in het Russische consulaat binnen, een paleis zonder vensters, waarvan de vier gebouwen een tuin vol dichte bomen en rozen insluiten. Blonde, stevige Kozakken stonden er omheen geschaard met opgeheven sabel. De zaakgelastigde, de heer Tsjirkine, kwam ons met bloemen in de hand tegemoet.

Wij zijn zeer stoffig, maar vol waardigheid.

We komen in een salon, waar tafels zijn en tapijten, een divan, fauteuils en stoelen. Onze laatste halt was een soort van kalkoven, en wij weten nu wat comfort betekend.

Stoelen lijken een grote triomf der beschaving, en we kijken ze met bewondering en vertedering aan.

Bedienden brachten ons geparfumeerde thee, kleine schijfjes citroen en ijs! In onze kamers vonden wij wastafels, water, keurig ingerichte badgelegenheden met kranen van warm en koud water!

We zijn nog gebeukt door de planken van de diligence en hebben in drie dagen niet meer dan zes uren geslapen. En nu strekken we ons, gewassen en gekleed, onder de bomen van den tuin uit in den geur van alle rozen van Ispahan, die op onze komst schijnen te hebben gewacht.

Wij hebben het Paradijs gevonden.

Het regende in den avond, een heerlijke frisheid onder de oude platanen. Al vroeg gingen we naar bed op onze getrouwe veldbedden, want het consulaat heeft geen bedden over. In het Oosten begrijpt men overal dat woord van Jezus: “Neem uw beddeke op en wandel.”

Wat is het goed geweest, dat wij onze bedden hebben meegenomen!

Wij veroorloofden ons den volgende dag allerlei weelde, en weelde bestaat nu voor ons in nietsdoen. In plaats van de stad te bekijken, blijven we in den mooie tuin onder de schaduw der platanen, wier stammen oprijzen uit bosjes van rode rozen.

Wij zijn nog verwezen van de zesdaagse vermoeienis, en we zouden altijd zoo willen blijven liggen in den geur der rozen en tot onszelven zeggen: “Ik ben in Ispahan.”

Des morgens is Ispahan nog koeler en heerlijker dan Teheran, het ligt dan ook op de hoogte van Sanct-Moritz.

Geen geluid van de ons omringende stad dringt tot ons door. Alleen honden lopen door de struiken, er gaan Perzische bedienden voorbij, en de oude bewaker van den hammam gooit af en toe wat hout op het vuur.

Er zijn in dezen tuin van rechte lanen en jonge bomen een oneindige verscheidenheid van rozen, zwarte en purperen, witte en rosé, de meeste al op het punt de bladeren te laten vallen. Binnen acht dagen zal er van de rozenglorie niet veel meer over wezen.

Aimé waardeert zeer de gastvrijheid, die ons wordt aangeboden. Hij zegt ’s morgens tot mij: “Ik heb thee gedronken, en ik heb wijn gehad; ik heb van alles gegeten en ze hebben mij ijs gegeven, en toen ben ik onder de tafel gaan liggen slapen.”

De kleding van Aimé, die nooit veel om zijn toilet gaf, heeft iets om zich voor te generen in dezen mooie tuin van het consulaat. Aimé draagt de Perzische lange jas, die al vol gaten was toen we vertrokken. De zware reis heeft er niet veel van overgelaten. Een mouw is half verdwenen en de boord aan den hals is er af. De katoenen broek is vol gaten en de twee gele dingen, die hij aan de voeten had en die in veel vroeger tijd schoenen waren geweest, maakte hij met touwen vast; een teen stak brutaal door het leer heen, en de zolen gaapten geducht. Nu is een der laarzen in de woestijn gebleven; hij loopt nu mank met een bloten voet. Hij lijkt wel wat op een bedelaar, die de waakzaamheid van den portier heeft verschalkt en stil in het consulaat is binnengedrongen.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *