1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Hij voelt zich vertederd over haar ongelukkig lot, over haar dapperheid, en onder die vertedering door gaat de wijzer van het horloge zijn gang, en zie, het is vijf uur.

Op dat ogenblik wordt Aimé, die in een of ander hoekje op een matje sliep, wakker, rekt zich uit, gaat overeind zitten en staat weldra op zijn slappe benen. Hij behoeft niet veel toilet te maken en komt ons wekken in de verschillende kamers, en ieder van ons zegt tot zichzelf, dat hij of zij het vlugst met aankleden is en wel een kwartier aan die, en een kwartier aan die andere mag gunnen—en blijft in het bed.

Zoo wordt de vertraging groter; het pakken op de diligence duurt lang; het water kookt nog niet voor de thee….

Om acht uur gaan we van Kasjan weg, waar we slechts den puntige koepel der moskee zien en vervallen straten. Het rijtuig van den gouverneur brengt ons een eind heen, en eerst bij het begin der woestijn stappen we weer in de diligence.

Het is nu alles fijn, rood zand zonder stenen over licht golvend terrein. De wielen van het rijtuig zakken vijftien centimeter in den grond, en nu en dan moeten we door de droge bedding van een zeer brede rivier. De ongelukkige paarden doen wat ze kunnen, maar houden op ogenblikken uitgeput stil.

Toen stapten wij in de brandende zon uit en duwden de wielen, maar we kwamen op die manier verschrikkelijk langzaam voort. Om tien uur waren we nog geen zes kilometer van Kasjan, en de eerste rustplaats is nog twintig kilometer ver.

Op dat ogenblik raakte de diligence positief vast in het zand, en de paarden weigerden te trekken. Wij moeten wachten tot ze zijn uitgerust.

Wij bekijken de plek des ongeluks.

We zijn midden in de woestijn; loodrecht valt de zon op ons, en de weerkaatsing op het zand is gruwelijk.

Links zijn lage duinen; rechts doet zich een uitkijk voor op een bekoorlijke oase. Groene bomen wiegelen door een koeltje heen en weer. Daar er bomen zijn, moet er water in de buurt wezen. Wij sterven van dorst, en twee van ons maken de paarden van voor het rijtuig los en rijden naar de oase, die geen kilometer ver lijkt. Maar ze zijn nog geen vijf minuten weg, of daar zijn ze al terug, want het is overal zand en het groen is een illusie geweest, een luchtspiegeling.

De vermoeidheid overmant ons. Een van ons slaapt onder de diligence. De anderen stappen uit en voelen het zand, dat zoo heet is dat men het niet in de hand kan houden. Wij moeten vlak bij onzen wagen blijven.

Toen zonden we Aimé te paard uit, om verse paarden uit Kasjan te halen, want de onze kunnen niet meer.

Hij komt niet terug. Twee uren lang wachtten we onbewegelijk in dit warmste deel der woestijn [170]op het midden van den dag, als geen Pers zich buiten waagt.

Rondom alles zand en bedrieglijke fata morgana’s. Geen zuchtje wind. Onbewegelijk bakken wij onder het dakje van de diligence.

Daar komt om twaalf uur Aimé terug met drie paarden en een tweeden koetsier.

Met grote moeite krijgen ze nu de diligence in beweging; maar we komen slechts stapvoets vooruit. Twee uren hebben we nodig, om de eerste halt te halen.

Vreselijk was die vierde dag, onuitsprekelijk van ellende. In den avond reden we maar sukkelend voort van negen tot één uur bij prachtig sterrenlicht. Aimé beloofde nachtrust in de volgende sjapar khané. Op stenen gezeten in het licht van de opkomende maan, aten we harde eieren, biscuits en zetten thee, in afwachting dat de paarden uitgerust zijn. Onze leden waren verstijfd door zooveel uren in de diligence.

Nu, bij het begin van den vijfden dag, hebben wij, naar het schijnt, het middel om niet te laat op weg te gaan, dat is helemaal niet te gaan slapen.

Wij legden dekens op de banken van de coupé, dat de dames konden liggen en daarop rolden we verder over het ongelijke zand. We waren doodop, maar hadden nu ten minste geen last van de warmte en vorderden op den weg naar Ispahan.

In het achtercompartiment van den wagen veranderden wij elke vijf minuten van houding, leunend tegen elkaar en strekten afwisselend onze benen op elkaars knieën uit. Aan slapen viel natuurlijk niet te denken.

We zullen in de halt de schade inhalen.

De minuten gingen langzaam voorbij. Tegen vijven kwam de dageraad. Venus schitterde als een briljant in het Oosten; de andere sterren verbleekten.

Nu zijn we aan de wisselplaats. Wij springen uit den wagen, om uit te rusten en eindelijk te slapen! O, wanhoop! Er is slechts een stal en geen kamer, niet de minste schuilplaats zoo groot als een scheepshut, geen boom zelfs om ons tegen de zon te beschermen!

Minuten van ellende en van kwaadheid; maar wat hielp het?

Er was weer een heldere beek voor een bad, en geitenmelk werd voor ons gemelkt van kleine, zwarte geiten, die van de bergen kwamen.

Tegen zeven uur ging het verder. In 24 uur hebben we nu die vervloekte diligence bijna niet verlaten.

We gaan het bergland in.

De paarden trekken wat ze kunnen; onze weg stijgt met steile hellingen. Twee-, driemaal reeds hebben we moeten uitstappen en de wielen duwen, en nu weigeren de paarden ons verder te brengen. Gisteren vast in het zand, vandaag in de bergen. Wij zullen alle emoties moeten hebben van een reis in Perzië per diligence.

Weer zenden we Aimé met een der paarden naar de volgende halt op een uur afstand. Dus even rust.

De zon stijgt en het begint al heet te worden.

We worden er nu stil onder. Wanneer zullen we Ispahan zien?

De verse paarden. Het zijn kwade beesten, die schoppen in plaats van te trekken. Wij hebben een koetsier op den bok en een ander vóór de paarden, die niet vooruit willen. Toen gingen de koetsiers duwen.

Van het imposante landschap zagen we op deze wijze niets. En het was toch iets heel bijzonders, het leek een maanlandschap met die lavabergen en die reeksen van uitgedoofde kraters, langs welker hellingen gele zwavel te zien was, tussen rotswanden van alle tinten tussen bruin en geel. Verlaten was het alles, dor en steenachtig, een dode wereld, versteend in haar doodsstrijd.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *