1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Ik lag wakker en keek naar de vier minarets van de Fatmeh-moskee, waar lichten waren ontstoken, om aan de pelgrims, die onderweg waren, het doel van hun tocht te laten zien. Aimé lag op een deken, en pas had hij zich uitgestrekt, of hij snorkte. Een warme wind streek over ons heen, bewoog de takken, er vielen moerbeien van de bomen, en de lucht was vol ongewone geluiden.

Er moeten wolken zijn, want ik zie geen sterren meer.

Plotseling kwam er een sterkere windstoot, geritsel van de bladeren, dan een druppel op mijn gezicht, nog een en weer een… het regent!

Wanhoop! Zullen we in den nacht moeten opstaan en ons weer aankleden? O, waarom houdt de regen niet op! Een minuut van spanning; neen, de druppels vallen dichter op de bladeren en op mij.

Toen volgde in de duisternis bij den kletterende regen een verwarde vlucht; ieder van ons was half gekleed, de dames in shawls gewikkeld, de mannen, de veldbedden verslepend, waar de valiezen op werden gestapeld. In onze nachthemden of pyjama’s liepen wij door den groten tuin onder de bomen door, die bij elke windvlaag ons met een bad van druppels besproeiden.

In de sjapar khané gingen de Bibesco’s hun neef wekken en installeerden zich in zijn kamertje met hun drieën. Het gezin Phérékyde en ik, we schikten ons zoo goed mogelijk in het portiek. De bagage en de voorraden werden tussen de bedden opgestapeld. Zouden we nu kunnen slapen? Het is al middernacht. Over een uur of vier zullen we moeten opstaan.

Onder de opgehangen lamp trachtten wij in slaap te komen. Een verontrustend geluidje heel dichtbij verschrikte ons. Het leek wel, of er muizen bezig waren. Inderdaad waren het muizen, knabbelend aan [168]onzen voorraad. Twee-, driemaal joegen we ze weg; ze kwamen terug, en onze waakzaamheid verslapte. Wij legden ons weer neer, en onderwierpen ons aan de schade, die ze kunnen aanrichten, vastbesloten, ze met rust te laten, als ze ons maar niet in de oren beten.

Daar doet een luid gerinkel ons opspringen. Een kat had drie kisten met conserven omgegooid en twee glazen gebroken, en is toen gaan eten; hij had eerst de muizen voor ons weggejaagd. Op onze bedden zittend, keken we zonder kwaadheid naar de kat.

Maar moeilijk is het wel, in zo’n portiek te slapen. Regendruppels kunnen ons van den weg bereiken, en daar rijdt een rijtuig binnen. Er komen twee Perzen uit, kijken naar ons en praten met hun koetsier.

Eindelijk gaan ze heen.

Nu komt de beurt aan den hond, dien ik al in den tuin had gezien. Hij is achter ons aan gegaan, en op het ogenblik toen ik net wat doezelig werd, voelde ik een warmen adem op mijn gezicht.

Ik joeg den hond weg, die even daarna de plaats van de kat innam bij den voorraad proviand. Maar alles is ons onverschillig, zoo moe waren we.

Een ogenblik later luid klokjesgebengel. Een kamelenkaravaan verlaat de karavanserai; een van de dieren, nieuwsgieriger dan de andere, treedt uit de rij, om te onderzoeken, hoe Europeanen er uitzien, die niet slapen. Het lijkt een goedige, gezellige kameel, die zeker heel wat aan zijn collega’s te vertellen zal hebben. Hij mag ter herinnering aan ons meenemen wat de muizen, de kat, de hond en de ezel, die er ook nog is geweest, van onzen voorraad hebben overgelaten.

Zoo halen we zonder slaap, maar niet zonder afleiding en vermaak, half vier in den morgen. Wij zullen dan ten minste om vier uur klaar wezen. Wij staan op en overzien de verwoesting. De menagerie heeft een aangebroken blikje paté de foie gras opgepeuzeld, dan wat rijst, brood en vierentwintig harde eieren, die gekookt waren voor de dagreis van heden. Dat het hun wel bekome!

Woensdag was de derde dag van de woestijnreis van Teheran naar Ispahan. Hoewel we niet geslapen hebben, zijn we toch niet vroeg, want bij de vlucht door den tuin voor den regen zijn er kleinigheden zoekgeraakt. Die moesten opgezocht. De lucht was weer onverbiddelijk blauw.

Vandaag moeten de honderd kilometers worden afgelegd, die ons van Kosjan scheiden. Het zal weer heel wat inhebben.

De weg is kaal en lelijk en stijgt nu en dan, en de diligence is toch niet veel gemakkelijker dan de break. Ook worden de muggen al lastiger. Maar wij leven nog. De sjapar khané’s waren minder goed dan tussen Teheran en Koem, en we bleven maar buiten in de hitte ontbijten. Toen het avond werd, waren we nog niet te Kasjan, maar tegen negen uur daagde het stadje op. We logeerden er door de tussenkomst van den Engelsen consul in het huis van de Indische telegraaf. De chef van den post ontving ons vriendelijk, we werden getrakteerd op ijskoude dranken en gebruikten een uitstekende pilau. Maar onze gastheer kan de drukkende hitte niet verminderen en hij kan aan de muggenplaag geen eind maken. Onze nacht was dan ook weer ellendig en we hadden afgesproken om, vóór het dag was, op te breken. [169]

Met de grootste moeite stonden we den vierden dag op, en vier uur te laat kwamen we eerst weg. Hoe kan het ook anders!

De lezer denken even na, en in plaats van boos te worden, zal hij medelijden met ons krijgen. Na een helen nacht waken en een dag van geradbraakt worden in de diligence komen we aan de plaats van rust. Eerst tegen middernacht komen we te liggen. De warmte, de muggen, de uitputting beletten ons te slapen; eindelijk overwint de vermoeidheid voor korten tijd en we vallen in een onrustige slaap, telkens afgebroken en niet verkwikkend, ook door de hardheid van de zeelen der veldbedden.

Aimé, die ons zou wekken, sliep. Een van ons, die nog al consciëntieus was, keek op zijn horloge. Hij kan de ogen haast niet opendoen. Het is vier uur. We moeten opstaan. Toen denkt hij, dat een ogenblik langer of korter niets aan den aard van den dag, die volgen gaat, verandert en denkt aan de dames, die misschien slapen en nog meer dan hijzelf behoefte zullen hebben aan rust.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *