1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Om zeven uur in den avond waren we in een klein dorp, Aliabad. We hielden er stil, om te dineren. Er was een bekoorlijke tuin, en als grote weelde een tafel en tabouretten. Aimé maakte de groente voor ons warm in onzen ketel, want de bewoners van Aliabad verafschuwen ons als onrein.

Ze zouden misschien niet dezelfden weerzin hebben tegen den inhoud onzer valiezen, en één van ons moest op wacht staan bij de diligence.

Bij kaarslicht aten we in den tuin. Daar verklaarde ons Emanuel Bibesco, dat hij na dezen verschrikkelijke dag zich niet goed voelt, dat hij niet met ons verder zou gaan, maar hier wou blijven wachten, tot wij hem een wagen uit Koem zenden, om hem naar Teheran terug te brengen.

Wat een wanhoop! Onmogelijk, onzen vriend hier alleen te laten in dit dorp, waarvan de bewoners ons zelfs geen water willen geven; aan den anderen kant durven we ook niet de verantwoordelijkheid op ons nemen van hem mee te voeren naar Koem.

Toen haalden we hem over, mee te gaan tot de volgende halt. Als we er kunnen logeren, willen wij er ook blijven, want we zijn nog maar halfweg Koem en kunnen al niet meer.

In den nacht gaat het dan verder. We voelen ons gebeukt en gemalen. Aan de volgende vuile sjapar khané gekomen, besloten we er te blijven, hoe ellendig het er ook was.

Om vijf uur werden we wakker door het gegons van duizenden muggen. Ik ging opstaan en vond in den tuin een beek, die zich iets verder stortte in een brede plas. Er was niemand op, en de Perzische vrouwen, die den vorige avond gekomen waren en een pelgrimstocht deden, sliepen in haar wagen. Ik snelde naar den vijver, kleedde mij uit en nam een bad, het eerste in de open lucht van dit jaar, en het is aardig, dat in de Perzische woestijn te gebruiken. [167]

Op deze plek was het echter niets woestijnachtig; het landschap was zelfs mooi, en de anderen, die ook een bad namen, herstelden zich met mij van de vermoeienis van den vorige dag, zodat Emanuel Bibesco besloot, met ons naar Koem te gaan.

Tegen acht uur vertrokken wij naar Koem, dat zestig kilometer verwijderd is. We hebben nog pas een paar minuten gereden, of we weten al, dat het lijden van den vorige dag weer begonnen is. En we zijn nu al 24 uren ten achter bij onze voornemens.

We dachten om twaalf uur in Koem te wezen, maar bij het langzaam rijden vorderen we te weinig, en reeds was het middag, zonder dat nog in de verte iets van Koem te zien was, noch van den vergulden koepel van Sint-Fatmeh, waar de hoop van zooveel gelovigen naar uitgaat. Werd Koem ooit door enige reizigers met vuriger verlangen gezocht dan door ons?

Het was drie uur, toen we bomen aan den horizon zagen, waarboven minarets uitstaken. Dat was de verlangde stad.

Wij stapten af aan de sjapar khané, die een groten tuin had, vol bloemen en bomen. Een welverdiende rust viel ons hier ten deel. Eerst morgen om vier uur willen we van hier gaan.

Aimé werd naar den bazaar gezonden om proviand en ijs, en wij bekeken intussen de diligence, die hier voor ons beschikbaar was en die ten minste vrijwat geriefelijker was dan de zoogenaamde break. Er was een compartiment voor zes personen voorin en een ander voor vier achterin.

Daarna installeerden we ons in den tuin in de zware schaduw van moerbeibomen en, liggend op den rug, wachtten we tot de rijpe vruchten ons in den mond vallen.

De bagage en de veldbedden werden bij ons gebracht. In Perzië is het zaak, zijn valies niet uit het oog te verliezen.

Er was maar één kamer in de sjapar khané. Maar wij waren zoo verrukt van ons zitje, dat wij besloten, buiten te overnachten. Alleen Emanuel Bibesco geeft aan de kamer in de herberg de voorkeur.

Eerst aten wij nog een heerlijk rijstgerecht, met melk klaargemaakt, dat wij met confituren smakelijker maakten en besloten toen, twee uren te rusten vóór we Koem gingen zien.

De veldbedden werden opgeslagen en we genoten de rust in de schaduw der moerbeibomen. De een sliep als een marmot; de ander ging schrijven, en een derde dromen. De dalende zon bescheen een groten muur, die den tuin omsloot en waarboven de gouden koepel zich verhief van de moskee, waar de heilige Fatmeh rust, die Koem tot bedevaartplaats maakt. Alleen Medsjed, waar de imam Reza is begraven, is nog heiliger dan Koem.

In de schemering gingen wij naar den overdekten en donkeren bazaar. Enkele beledigingen werden ons in het voorbijgaan toegeroepen, want Koem is bij zijn heiligheid zeer dweepziek. De menigte houdt niet van Europeanen en vooral niet van ongesluierde vrouwen. Ze kijken onze dames aan met nieuwsgierigheid en minachting. Jongens liepen achter ons aan. De bazaar was zoo smal, dat als er iemand op een paard aankwam, men niet voorbij kon.

Wij verlieten den bazaar en kwamen op een kerkhof. Er waren veel mensen om ons heen, en de nieuwsgierigheid werd lastig. Toch probeerden wij de grote moskee achter op het kerkhof te naderen, maar dat scheen heiligschennis in de ogen der menigte, zodat wij door een straatje afsloegen naar de rivier dicht bij onze sjapar khané.

Het was donker, en toen de tafel gedekt was onder de bomen, volgde er een vrolijke maaltijd met kaarsen, die lichte stipjes tekenden in den nacht.

Wij maakten toebereidselen voor onzen nacht in de open lucht. De beide paren kozen de beschutting van de grote moerbeibomen, en ik nam een verder verwijderden. De shawls werden op de veldbedden uitgespreid en uit vrees voor dieven maakten we de valiezen aan de bedden vast.

Wij ontkleedden ons bij het onzekere licht der kaarsen, dat in den wind flakkerde; geld en revolver werden onder het hoofdkussen gelegd, en de kleren op het bed.

Daar lagen we, wensten elkander goeden nacht, en de kaarsen werden uitgeblazen.

De opwinding van de reis, de nieuwheid van in de open lucht te kamperen in het midden van Perzië, joegen den slaap op de vlucht.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *