1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

In de diligence op den vijfden dag van de marteling.

In de verschillende legaties ontving men ons uiterst vriendelijk. Het was amusant, daar zoo gemakkelijk door Europa te reizen. Wij dejeuneerden in Rusland, dronken thee in het huis van Zijne Britse majesteit, dineerden vrolijk in Frankrijk en deden een walsje bij den groten Turk.

Onze koffers hadden zich in Teheran weer bij ons gevoegd. We reden in onze auto tot grote verbazing der Perzen, en de morgens werden dikwijls met de dellals gesleten. Het verveelde ons nooit, de drukte op de straten en in den bazaar gade te slaan, te rijden door de omstreken tegen den avond en dan terug te keren naar de drukte van Teheran.

Sedert wij in Iran zijn, hebben we nog geen enkele wolk aan den hemel gezien. Op den dag welft zich in onveranderlijk blauw een koepel over ons, die in den nacht verandert in een violet gewelf met sterren bespikkeld. En de tegenstelling is groot tussen deze stralende Perzische dagen en die van den eersten tijd onzer reis, toen we steeds sombere luchten hadden met nevel, wolken en regen.

Het kost haast moeite ons los te rukken, maar wij moeten Ispahan zien. Toen wij vertelden, dat het ons plan was, bleek er grote verbazing bij de buitenlandse kolonie. Wie dacht daar nu ooit aan in Teheran! En ze noemden ons de bezwaren, het gebrek aan levensmiddelen, de vermoeienis van den tocht door de woestijn. De dames zouden het nooit uithouden. Het was dwaasheid.

Maar wij zijn niet van zoo ver gekomen, om niet anders te zien dan de half-Europese stad, die Teheran heet.

Er liggen tussen Teheran en Ispahan ongeveer 480 kilometer, langs den weg, dien de rijtuigen volgen. Wij hebben al zooveel kilometers verslonden [166]sinds ons vertrek uit Boekarest, dat die 480 er als dessert ook nog wel bij kunnen, en het verwondert ons, dat niemand van de legaties zich op dat dessert heeft getrakteerd buiten nu en dan een Engelsman.

Wij dachten, dat men eens voor een weekje naar Ispahan ging in het seizoen van de rozen, maar neen, dat gebeurt niet.

Wij zullen het dan toch maar doen en maken ons voor het vertrek gereed.

Dat is geen kleinigheid.

Wij weten het nu vooruit. Er moet proviand zijn voor ons zessen, want er is onderweg niets te krijgen. Wij rekenen ruim en stellen vier dagen, om in Ispahan te komen, maar omdat het een woestijnreis is, stellen we acht dagen. Wij vullen dus weer de grote mand met conserven, te Tiflis gekocht, en er mag niets vergeten worden, want als we vertrokken zijn, is het te laat.

Er moet een bediende mee, want de Tsjerkess Hassan, die tot Teheran is meegegaan, bleek evenmin Perzisch als Frans te kennen. Die werd dus naar den Kaukasus teruggezonden.

We namen een leerling-tolk mee, een 18-jarigen jongen, die eigenlijk maar twaalf jaar leek. Hij was al tweemaal in Ispahan geweest; Aimé heette hij en hij had heldere, schelmse ogen. Al wat hij deed, deed hij goed, al kon zijn kleding netter zijn en al waste hij zich zelden.

Dan hebben we rijtuigen nodig.

We hebben maar één auto en zijn met ons zevenen, met Aimé mee. Daarbij al de bagage, de benzine en de proviand. Het is jammer, dat Leonida nog maar altijd in de bergen van Tabris is; nu zijn we wel genoodzaakt de grote Mercedes te Teheran achter te laten, waar Keller haar grondig zal schoonmaken.

Wij vernamen, dat er geen drie landauers te krijgen waren, daar er maar twee aanwezig waren, en dat er na Koem ook niet voor drie gelegenheid was, want er zijn maar acht paarden op de halten en ieder rijtuig moet er vier hebben. Er was echter een ongemakkelijke break met twee banken zonder kussens of bekleding, met een dak erboven, op vier ijzeren stangen rustend. Die moesten we wel nemen, en te Koem was een diligence te krijgen, die gemakkelijker zou wezen.

Wij besloten, omdat het warm zou zijn, des morgens om vier uur te beginnen, dan tot tien uur te reizen, daarna te ontbijten en te rusten en om vier uur weer te beginnen, zoo meenden we in vier dagen er te zullen kunnen zijn.

Zondagmorgen, 21 Mei ging het erop los.

De break, die als diligence dienst deed, was er om vier uur niet. Wij zonden Aimé naar de post, en na een hele poos kwam de wagen. Het duurde tot zeven uur, vóór alles goed en wel gereed was. Vooraf spraken we nog af, niet te rusten op het midden van den dag en in Koem te overnachten op 150 kilometer afstand, waar we tegen den avond hoopten te zullen aankomen.

We waren nu echt in de woestijn, zand en nog eens zand, met af en toe kleine heuvelreeksen, rotsachtig en met steile hellingen. De rit in den postwagen was een ware marteling, want het ding schudde en hotste erbarmelijk, en we zaten te ongemakkelijk, om een onzer ledematen rust te geven. Elke twee of drie uren was er een haltpost. Tegen den middag ontbeten wij en haalden in de gloeiende zonnehitte den voorraad uit onze mand. Dat was zwaar werk. De sjapar khané, waar we waren, had wel een kaal kamertje voor ons, vol muskieten. Er waren noch tafels, noch stoelen; maar wij beginnen op de hoogte te komen van de Perzische gebruiken, en we aten dus, zittend op onze valiezen, conserven, die in de zon nagestoofd waren. Ook ontdekken we dat sardines zulke temperaturen niet kunnen verdragen en genoten willen worden in gematigder klimaat.

Dan ging men, na het drinken van slappe thee, verder door een troosteloos landschap over den rotsachtige zandbodem van het plateau.

Geen planten en geen rivier, en altijd een fijne stof om ons heen. Telkens verliezen we een uur bij de wisseling van paarden. Beloften noch bedreigingen vermogen iets op de koetsiers. Men zou ze slaan! Maar zoo ver zijn we nog niet.

De enige episode, die de eentonigheid verbrak, was de verschijning van een troep gieren, die het karkas van een kameel nazocht. Georges Bibesco schoot er een, en de jonge Aimé apporteerde als een jonge hond.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *