1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

En den volgende dag komen ze met een doos, die ze met allerlei voorzorgen opendoen en halen er een voorwerp uit, dat in watten is gewikkeld; ik beef van ongeduld. Zij onthullen het en ik zie een vals, waardeloos ding. Zij vragen er vierhonderd francs voor, een enorme som in Teheran; ik bied hun één franc. Toen lachen ze en roepen: “O, Meneer is op de hoogte”. Ze nemen mij die vrijheid volstrekt niet kwalijk, en morgen komen ze weer met een ander vals stuk.

Maar op een dag bood een oude koopman mij een werkelijk niet kwade coupe aan. Ik onderzocht nauwkeurig en alles leek echt, maar de prijs…. Hij vroeg zestig tomans, dat was verontrustend. Als hij wist, dat het stuk echt was, zou hij wel 250 tomans hebben gevraagd, en het dan voor tachtig of honderd hebben gelaten. enige dagen later liet ik het aan een kenner zien, die niet op zich durft nemen, te zeggen, dat het echt is, maar mij aanraadt, het te kopen als ik het voor een veertigtal tomans krijgen kan.

Toen de koopman terugkomt, verklaar ik hem, dat de coupe vals is. “Nist antic” zeg ik beslist. Waarna hij, zonder een poging tot tegenspraak het [164]inpakt en weggaat. Ik heb hem niet teruggezien.

Wat er nog wel te krijgen is, zijn potten en vazen met blauw decor zonder weerschijn, die honderdvijftig of tweehonderd jaar oud zijn. Ik koop die niet zonder veel gesjacher voor één of twee tomans. Ik heb er al gauw een schoorsteenmantel van vol en een tafel. Emanuel Bibesco ontdekt een stuk wit aardewerk, met koper gemonteerd, een prachtig stuk.

Wie oude gebouwen in Teheran gaan zoeken, worden teleurgesteld. Er zijn geen oude porseleinen muren en poorten; die men er ziet, zijn modern, weensch maaksel. Teheran is nog maar hoofdstad sinds de troonsbestijging der Kadjaren, welke dynastie door een eunuch was gesticht.

Maar men kan enige aangename uren slijten in den bazaar. Die is overwelfd en boven in de gewelven laat een opening een weinig licht door. Het is er koud, stoffig en donker, waar men eerst aan wennen moet.

Acht dagen, nadat we onze vrienden te Resjt hadden verlaten, voegden zij zich weer bij ons. Zij hadden het best gehad, en de auto had hen afgehaald. Die was na een moeilijke inscheping te Bakoe goed en wel in Enzeli aangekomen, was van daar naar Resjt gereden, en om vier uur in den namiddag waren de beide paren met Keller en den Tsjerkess Hassan uit Resjt vertrokken met hun zessen in de grote Mercedes. Dezen keer hadden ze elk maar één toiletzak mogen meenemen, want in de auto moesten de vier veldbedden worden geborgen en de dekens. Met de knieën tot de kin opgetrokken, waren ze het hoge plateau gaan beklimmen, hadden te Mendjil gedineerd, en waren tegen elf uur in Yusbasjaï aangekomen.

De Sjah was er gekampeerd, en een Engelse dokter, die Z.M. vergezelde, wou voor een nacht zijn tent wel aan de vreemdelingen lenen. Zij verlieten in den morgen om acht uur hun kamp, ontbeten te Kaswyn en deden van Kaswyn tot hier de reis in een beetje meer dan vijf uur. En wij hadden er vierentwintig over gedaan! De auto was ook door de rivier gegaan en was op dat kritieke ogenblik gefotografeerd.

Daar waren we nu weer allen bijeen. Of er ook veel te vertellen was! Van Leonida waren geen berichten.

Nu straks samen naar Ispahan! Rozen plukken!

Eerst brachten we nog een bezoek aan het paleis van den Shah. Ik zal precies zeggen hoe wij het er vonden. Men moet niet menen, dat de Koning der Koningen in een pracht van een oosters paleis een leven leidt als uit een sprookje. Hij logeert op zijn Europees, en deze Perzische monarch heeft een zeer slechten smaak, waardoor hij de voorkeur geeft aan weensche artikelen uit een guldensbazar boven kunstvoorwerpen uit Perzië.

Het is waar, men laat u den vermaarden pauwentroon zien; maar die komt niet uit Delhi en nooit heeft de grote Mogol erop getroond. Hij is te Ispahan vervaardigd in het begin der 19de eeuw, en er wordt verteld, dat vele der kostbare stenen, waarmee hij versierd was, door minder kostbare stenen zijn vervangen.

Maar de tuinen van het Gulistanpaleis zijn prachtig. Er is veel stromend water, dat over stenen van blauw émail loopt; dan ziet men wondermooie porseleinen bekkens naast de heerlijkste vakken van bloemen en rozenheggen….

Daar de Shah niet thuis was, werden we ontvangen door den Valyat of kroonprins, gouverneur van Tabris, die het regentschap waarneemt tijdens de afwezigheid van zijn vader. Er moest eerst onderhandeld over ons toilet. Volgens de etiquette moesten wij verschijnen in rok en witte das en met een hogen hoed. Die hadden wij niet bij ons, en daar ieder wist, dat wij per auto in Perzië waren, stemde Zijne Hoogheid erin toe, dat wij met onze automobielpetten zouden worden toegelaten. Die vraag van de hoofdbedekking is niet onbelangrijk, want bij traktaat van 1827 is vastgesteld, dat de Europeanen zich niet het hoofd zouden ontbloten in tegenwoordigheid van Z.M., die zelf nooit zijn lamsvelmuts aflegt. [165]

Dus kwamen wij in het paleis onder het beminnelijke geleide van den Russische consul, en als gewoonlijk werden ons eerst in een voorvertrek verversingen aangeboden, waarna wij in een onmetelijke zaal binnentraden, waar in den versten hoek de Valyat zat, die bij onze intrede opstond. Het is een man van 38 jaar, die wel 45 lijkt, klein, dik en verlegen, met knippende ogen achter een gouden bril.

Er was een Russische tolk, en er volgde een kort, aller-onbelangrijkst gesprek, waarna de audiëntie was afgelopen en wij heengingen. We hadden onze petten niet afgezet. Men mag enkel achteruitgaand zich terugtrekken en zoo voerden wij alle zes een figuur uit een quadrille uit in dat reuzensalon, met de ogen op den Valyat gericht, de hand aan de klep van onze pet, waarbij wij zoo goed mogelijk de hinderpalen vermeden, die zich op onze weg voordeden in den vorm van tafeltjes en ornamenten, en waarbij we grote moeite hadden, ons lachen in te houden, als een van ons tegen een meubel stiet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *