1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Toch won eindelijk de vermoeidheid het van al het andere.

Het moet nog geen half uur geweest zijn nadat we in slaap gekomen waren, daar werden we wakker door een geluid in de kamer.

Wat is dat? Dieven? Wij zijn in zulk een diepen slaap, dat we ons wel zouden willen laten bestelen, mits het maar zachtjes gebeurde.

Neen, het was de postmeester met een primitieve lantaren in de hand. Hij probeert, ons iets in het Perzisch uit te leggen. Wij willen nergens naar luisteren. We jagen hem weg en slapen weer in.

Voor korten tijd, want een uur later komt die hardnekkige man weer ter plaatse.

Weer worden we wakker en vinden hem voor ons staan, zwaaiend met zijn lantaarn en vertelt onder drukke gebaren een historie, die wij ten laatste, nu hij ze voor de derde maal herhaalt, begrijpen. Hij verklaart blijkbaar, dat wij moeten vertrekken, om bij het aanbreken van den dag aan de doorwaadbare plaats van de rivier te zijn, want dat naarmate de zon hoger komt, het water ook zal rijzen en dat, als we nog langer wachten, we er niet over zullen kunnen.

Daar hij niet wegging, moesten wij wel opstaan.

Wij waren verstijfd; de vochtigheid had een laag fijne druppeltjes afgezet in de kamer; ik had een papier met potloodaantekeningen buiten laten liggen, en het schrift was geheel uitgewist. Rillend maakten we ons een kop thee.

Toen moesten de bedden uit elkaar worden genomen en in hun bergplaats worden geborgen; de shawls worden opgerold, de proviand worden ingepakt, de valiezen gesloten en naar buiten gebracht, en wijzelf moesten de trap afgaan met de te hoge treden!

Wij zaten in het rijtuig, maar de paarden zijn niet aangespannen. En ten slotte gingen wij, die vóór het dag was opstonden en bijna niet hadden geslapen, pas weg om zes uur. [163]

Na enkele kilometers te hebben afgelegd, waarbij we de zon zagen opgaan achter de in nevelen gehulde bergen, waren we aan den oever der rivier.

Zij stroomde snel tussen haar steile oevers. Er was een brug over, maar de middelste pijler was door het water meegesleurd. Men had ter ere van den Shah een houten hulpbrug gemaakt voor voetgangers. De rijtuigen moesten door het water gaan en langs den oever dalen en klimmen. Er werden hulppaarden voorgespannen, de koetsiers gilden, het water spoelde om de wielen, en wij zagen ons rijtuig oversteken, terwijl wij van de houten brug toekeken.

Den gehelen dag gingen wij langzaam verder op den eentonige weg. De warmte was erg, en geen koeltje bracht verlichting. Maar eindelijk wees de koetsier ons een streep bomen; dat is Teheran. De steden in Europa kondigen zich aan den reiziger aan door huizen en grotere gebouwen; in de steden van Azië daarentegen verbergen de hoge bomen de lage huizen en uit de verte ziet men, als de gids u een stad wijst, niets anders dan groen.

In plaats van den gordel van voorsteden, die vaak een indruk van armoede maken, omringen tuinen de steden in het Oosten.

De zon heeft ons echter zoo gebrand, dat wij ons over niets meer kunnen verheugen.

Langzaam naderen we de stad. De weg werd druk. Soldaten te paard en te voet kwamen terug uit het kamp van den Shah; ezeldrijvers dreven troepen kleine ezels, met brandhout beladen, voort, en een ruiter had een toegedekte valk op zijn hand. Stofwolken deden iemand pijn aan de ogen.

Nog een uur, en wij waren voor de poorten van Teheran.

De koetsier voerde ons door brede straten, tussen muren zonder vensters. Het was affreus. Waren wij dat van zoo ver komen zoeken? Is dat Teheran? Wij hadden een paar wanhopige ogenblikken.

Daar verschenen eindelijk enige winkels. Het zijn geen Perzische gelegenheden. Wij vernamen, dat de heer Bedrossian ons wel een pak Europese kleren wil aanmeten, tegen betaling wel te verstaan, en dat de heer Élijan ons op Amerikaanse manier een kies wil trekken.

Emanuel Bibesco is aan zwarte melancholie ten prooi.

Ten laatste kwamen we aan het hotel. Men kwam binnen door een aardige binnenplaats, beplant met zware bomen en bezet met mooie bloemen, terwijl aan de vier zijden portieken waren, waar kamers op uitkwamen.

Het was het hotel Anglais, gehouden door den heer Reitz.

Wij richtten er ons in. Er waren bedden, bedienden en warm water. Wij leerden zulke dingen op prijs stellen.

Na een bad te hebben genomen, ging ik naar de Franse legatie.

Den volgende morgen was het ontwaken verkwikkend in die zindelijke kamer met de open vensters en de heerlijke lucht, die binnenstroomde. Wij zouden acht dagen in Teheran blijven, en we hadden wel wat rust en goede dagen verdiend. Emanuel Bibesco wil nog niets anders zien dan de Europese voorstad van Teheran. Hij zegt, dat Teheran een grote bedriegerij is, installeert zich prettig in het hotel, knoopt kennis aan met de jonge Engelsen van de Bank en de Indo-Europese telegraaf, spreekt den gehelen dag Engels en wil verder niets zien. Men moet niet met Ispahan bij hem aankomen; die stad wil hij niet kennen; wat hij van Perzië kent, zijn de verschrikkelijke vermoeienissen, die men er ondervindt op reis. Dat is hem genoeg, en hij is mild met zijn overwegingen, dat hoe korter een dwaasheid duurt, des te beter.

De morgens waren heerlijk.

Ik ging niet weg van het balkon, waar mijn kamer op uitkwam. Om zeven uur bracht de Perzische bediende, Mahmoed, dien ik riep door in de handen te klappen, water voor het bad; ik bleef blootsvoets en in mijn pyjama aan mijn ontbijt en wachtte op kooplieden. Vóór mij lag de tuin met rode rozen onder den blauwen hemel. Een koele, droge frisheid was in de lucht, en in de kamer waren reine matten, klare katoentjes en ook al enkele kostbare stoffen, die ik had gekocht.

Tegen tien uur kwamen de dellals of rondtrekkende kooplieden, want onze aanwezigheid was spoedig in Teheran bekend geworden.

Ze lieten hun ezel aan de poort van het hotel en brachten hun waren boven. Coupes van geciseleerd koper, vazen, aardewerk van allerlei vorm en soort, degens, geweren en émail. Er moest nauwkeurig toegekeken worden, want negen van de tien dingen waren waardeloos. Ik vroeg aan de dellals mij stukken te brengen met metaalweerschijn op witten of crème ondergrond uit den Mongoolse tijd of nog ouder, als ze die kunnen krijgen; ik zou ook tevreden wezen met metaalinlegsel op blauwen grond, dat uit den tijd van Shah Abbas dateert, eind 16de eeuw. Zij beloven er moeite voor te zullen doen. Zij zeggen, wel te weten, waar zulk een “khelly antic” stuk te vinden is, dat honderden tomans (een toman is vier francs) waard is.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *