1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Emanuel Bibesco sprak met hen in het Duits. Toen boden ze ons hun kamers aan. Een der bedienden moest tot middernacht bij het tolhek op wacht staan, om de schatting van de karavanen te innen; de meester verving hem dan voor het overige van den nacht.

Wij gingen te bed.

Helaas, van slapen kon niet komen. De jacht op een klein beestje legde beslag op de eerste uren van den nacht. En toen we onze maatregelen hadden genomen en eindelijk de kaars hadden uitgeblazen, begon een dame muis haar werk, knaagde aan het houtwerk, klom bij de gordijnen omhoog en sprong op onze bedden… Adieu, slaap! En toch waren we zeer vermoeid; maar het muisje wou, dat we ons met haar bezighielden. We moesten het licht weer opsteken… Zachtjes lachten we om ons ongeluk, want in het vertrek naast ons sliepen onze gastheren, en die mensen waren zoo vriendelijk geweest, dat wij voor niets ter wereld zouden willen, dat ze van onzen naren nacht wisten. Doodvoorzichtig liepen we op blote voeten achter het muisje aan, dat we ten laatste vingen achter een gordijnplooi…

Het was al bijna morgen; we hadden geen minuut geslapen, en daar was al gauw het uur van opstaan, want we hadden een lange dagreis vóór ons.

De dag van den elfden Mei brak aan. De bergpas zag er somber uit. We moesten meer dan een uur op den koetsier en de paarden wachten. Het landschap vertoonde geen bloemen en water en bossen meer; het waren nu alles rotsen en stenen. Daarbij een brandende zon, en eer een half uur voorbij was, moesten we onze reisdekens afleggen en zaten in hemdsmouwen onder een paraplu, die ons maar gebrekkig tegen de hete zon beschutte.

We hadden de kap van onze antieke berline moeten opzetten. Maar we waren onervaren reizigers en wisten dat niet.

Al die uren in de zon maakten ons slaperig; ons hoofd viel op zij, en de zon profiteerde ervan, om onze oren of neuzen te verbranden. Wij wilden nog dezelfden avond in Kaswyn wezen. Dus moesten er meer dan honderd kilometer door het bergland worden afgelegd. De paarden, die alle twee uren verwisseld werden, waren in het algemeen langzaam en zeurig. De weg was verlaten, want de karavanen reizen in dezen tijd van het jaar alleen des nachts.

Bij elke halt dronken we een paar glazen thee, die altijd klaar staat op kolenvuurtjes. En we aten harde eieren, die overal te krijgen waren.

Tegen vijf uur in den avond waren wij honderdvijftig kilometer van Resjt verwijderd. Het land veranderde weer van aanzien; het dal werd breder; er kwamen vlakten; de hellingen werden minder steil, en weldra zagen we velden van haver en rogge. Het licht bleef steeds merkwaardig helder en doorschijnend.

Eindelijk hadden we het hoogste punt van den weg bereikt. We waren op zestienhonderd meter hoogte en ontdekten plotseling een nieuw land vóór ons, het hoge plateau van Iran, dat zich tot in eindeloze verte uitbreidde en waar we zoo naar verlangd hadden.

Links werd het beschermd en van Turkestan gescheiden door een reuzenbergland, de Elboersketen, die oostwaarts in den Himalaya zich voortzet. De witte toppen rezen naar den hemel. In de verte schittert de kegelvormige piek van den Demavend, den heiligen berg, wiens krater onder eeuwige sneeuw slaapt. Aan den voet van den Demavend ligt Teheran. Vlak vóór ons daalde de weg naar Kaswyn.

Rechts lag het hoge Perzische plateau ter hoogte van elf- of twaalfhonderd meter; lage ketenen liepen erover van het Oosten naar het Westen. Het strekte zich doods en eentonig uit in het grijze licht. Daar is dan nu het oude Perzië; eindelijk hebben we het bereikt!

Nu voelden we geen vermoeidheid meer. De nacht, die snel in het Oosten valt, overviel ons onder weg, en het was tien uur, toen wij in Kaswyn binnenreden, een oud beschavingscentrum. In de sjapar khané zouden we den nacht doorbrengen. Dat hotel is enig in Perzië in zijn soort. Men vindt er kamers met bedden en kan er op elk uur eten krijgen tegen niet te hoge prijzen. Er werd ons een kip met rijst voorgezet voor nog geen franc. Zoiets vergeet men niet, als men van de hotels in den Kaukasus komt, waar andere prijzen worden gevraagd.

Van buiten geeft het hotel zich allures van een paleis, met de zuilengalerij eromheen en den tuin, waarin het is gelegen. Trouwens ook de eenvoudigste huizen nemen in Perzië graag iets monumentaals aan, met mooie portieken en veel beeldhouwwerk.

Er heerste te Kaswyn dien avond veel opwinding, want den volgende morgen zou Z.M. de Shah, die Teheran had verlaten voor zijn reis naar Europa, een plechtige intocht houden. De vorst reisde met zijn gehele hofhouding. Reeds om zes uur in den morgen werden we door rumoer buiten gewekt.

We gingen in den tuin van de sjapar khané. De lucht was heerlijk blauw en de atmosfeer aangenaam koel. Een echte heldere feestmorgen.

Vóór onzen tuin strekte zich de lange laan uit, die naar het paleis van den gouverneur leidt, een Koninklijke weg.

Links, dicht bij ons, lag een donker hoekje onder olmen, die den hoofdingang naar de grote moskee overschaduwden. Onder den boog van de erepoort door konden we het binnenplein zien met de fontein voor de wassingen, en boven de muren staken tussen het frisse gebladerte de minarets op, die den hoofdkoepel omgeven.

De keizerlijke stoet zou over het terrein van de sjapar khané trekken en zich dan langs den tuin door de grote laan naar den gouverneur begeven.

Ik installeerde mij op het dak van een laag paviljoen aan het hek. Dat was een best plekje om te zien en te fotograferen.

Het was al vol in de laan.

Er liepen groepen mannen rond in lange gewaden, [103]meestal bruin, soms blauw. Een gekleurde gordel omgaf het kleed boven het middel, en op het hoofd droegen ze meest de kale vilten muts.

Alleen de mollahs of priesters droegen een witten tulband. Er waren veel priesters. Kaswyn is een priesterstad; het zijn knappe figuren met mooie gezichten, fijne, regelmatige trekken, een gewelfd voorhoofd, langen, fijnen neus. De afstammelingen van den Profeet hadden een groenen tulband en een gordel ook van die kleur.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *