1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Wij hebben dan nu eindelijk zonneschijn en rijden voorbij het paleis van den gouverneur, den zoon van den Shah, naar een plein, waar een grote menigte bijeen was. De rijtuigen hielden stil; rijen gesluierde vrouwen zaten voor een gebouw met houten zuilen; mannen en kinderen vormden de drie andere zijden van een vierkant, dat in het midden open gelaten was. Daar stond een kleine estrade. Er zaten [99]en stonden enkele personen. Wij trilden van vreugde, want er was geen twijfel aan, wij woonden de voorstelling bij van een van die taziehs of Perzische mysteriën, die gedeelten uit de kerkelijke geschiedenis te zien geven.

Toen we nader traden, zagen we op de estrade de acteurs en konden de neusklanken bijna verstaan. De doodse vlakte van Kerbela werd voorgesteld en een doodvonnis, dat er op ongelovigen zou worden voltrokken. De Perzen, die vóór ons stonden, gingen wat op zij, en zoo konden we enkele fotografieën nemen.

Maar al gauw hadden alle toeschouwers ons gezien. Mag ik het zeggen? Ze hadden veel meer aandacht voor onze aanwezigheid dan voor het gewijde drama. Ze keken niet naar het toneel, maar naar ons. Hun onernstige afgetrokkenheid was niet naar den zin van den mollah van Resjt, die de voorstelling bijwoonde. Verontwaardigd stond hij op en sprak de menigte heftig toe, haar verwijten doende over haar profane nieuwsgierigheid voor onreine lieden, vervloekte Europeanen, die door gelovige Mohammedanen verafschuwd moeten worden.

De tolk van het consulaat gaf ons een teken, dat we weg moesten gaan, want dat er anders herrie zou komen.

Toen stapten wij weer in de rijtuigen, terwijl al de vrouwenhoofden in de zwarte sluiers met een zelfde beweging zich naar ons keerden, om ons te zien weggaan.

Wij reden door de omstreken van Resjt langs lanen van eeuwenoude olmen naast rivieren met zeegroen water. De zon had alle nevelen verspreid. Wij zagen in het Zuiden de hoge bergen, die Emanuel Bibesco en ik den volgende dag zouden beklimmen, om Teheran te bereiken. Ze waren bedekt met zware bossen, en van Resjt uit leken de hoogten, die ons scheidden van het centrale plateau van Perzië, ontoegankelijk.

Wij hielden stil voor den tuin van een rijken Pers, zijn zomerverblijf. Wij waren al op de hoogte van de gastvrijheid der Perzen. Waar ge er lust in hebt, kunt ge binnentreden. De heer des huizes trekt zich bescheiden terug, opdat ge zijn huis of zijn tuin rustig kunt bezien. Hij komt eerst later voor den dag, om koffie of ijs te presenteren.

Wij wandelden in de lanen onder bloeiende seringenbosjes, die over perken met leliën zich wuifden. Daarna brachten we een bezoek aan het huis, helaas, naar Europese trant gemeubeld, als alle huizen van rijke Perzen. Alleen de tapijten zijn die van het land.

De heer des huizes verschijnt; hij spreekt Frans en laat ons verversingen aanbieden, om daarna met ons te gaan wandelen en ons bloemen te geven.

Het gezicht, van het terras, op het bosrijke land was zeer mooi; het liep tot de bergen door, die in de verte blauwden. Wij vroegen onzen gastheer, of hij deze bezitting bewoonde.

“Ik heb dit landhuis om er des avonds in het voorjaar den nachtegaal te horen zingen,” antwoordde hij.

Wij keerden naar het consulaat terug; de zon was ondergegaan. De vochtigheid steeg uit den grond en uit de ons omringende rijstvelden op. Lichte dampen als doorzichtige feeënsluiers zweefden onder de onbewegelijke bomen van dit slapende park. De maan stond hoog aan den hemel.

Des avonds klonken langzaam en met een eigenaardig ritme langs den weg, die den tuin begrensde, de klokjes aan den hals der kamelen, die in lange rijen van Kaswyn of Hamadan kwamen. De karavanen reizen alleen als de zon onder is, want reeds is de hitte overdag te groot. En we zagen tussen de bomen de grote geheimzinnige gedaanten voorbijgaan, schommelend als op een onstuimige zee. Dit is wel echt een oosters geluid, dat geklep van de kamelenklokjes.

Wij hadden trouwens de gelegenheid, ze nog vaker in den nacht te horen, want het was de eerste nacht, dien we op onze veldbedden doorbrachten. Een harde geschiedenis! Wij zullen er wel aan gewend raken.

Den 10den Mei hadden we nog geen bericht van Keller, die zich met de grote Mercedes te Bakoe zou inschepen.

Emanuel Bibesco en ik besloten, vooruit te gaan en in een Perzisch rijtuig naar Teheran te vertrekken. Onze medereizigers zouden misschien nog onderweg zich bij ons voegen, en in elk geval zouden we elkaar in de hoofdstad treffen.

Om van Resjt naar Teheran te gaan, zouden we den beroemden, voor enkele jaren aangelegde weg volgen, die niet door het gouvernement, maar door een Russische maatschappij is gemaakt, die er concessie voor had gekregen. De weg is 337 wersten lang en stijgt tot meer dan 1500 meter.

Het is een gepachte weg, en rijtuigen en karavanen betalen een recht, dat voor een rijtuig met vier paarden acht tomans bedraagt. Een toman is nominaal tien krans of francs; maar een ongunstige koers heeft dit jaar de krans tot veertig centimen en bij gevolg de toman tot vier francs doen dalen. De kosten voor het onderhoud van den weg zijn groot, want het klimaat is niet gunstig. Er is een plotselinge overgang van de diluviale regens tot een droogte van wel zes maanden; in de lente smelt de sneeuw in enkele uren onder den invloed van een brandende zon, en de rivieren, die van de kale bergen vloeien, worden overvol en zijn onstuimige bergstromen.

De Russische maatschappij verliest dan ook geld op den weg, die haar twintig miljoen francs heeft gekost. Maar ze hoopt zich schadeloos te stellen door de haven van Enzeli, waarvoor ze concessie heeft gekregen. Er wordt een lange pier gebouwd, in welker beschutting de booten de kade zullen kunnen naderen. Binnen enkele jaren zullen de reizigers niet meer met levensgevaar te Enzeli ontscheept worden.

Uit financieel oogpunt is dus de weg voor het ogenblik een slechte zaak; maar hij is van grote betekenis uit politiek oogpunt en hij dient wonderlijk goed Rusland bedoelingen.

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *