1905 Met de auto van Boekarest over de Kaukasus

Het water is grijs, en de lucht hangt laag in grijsheid, en tussen die beide grijze doen de verschillende tinten van bruin van de hutten, het touwwerk en de zeilen en dan het groen van het riet genoeglijk aan.

grote vluchten cormorans scheren over de golven; bij honderden vliegen ze achter elkaar aan, maken wendingen en draaien om ons heen.

Het weer is drukkend, zwaar en vochtig.

Dat lijkt alles op Cochin-China.

Wij voeren over de Moerdab op de kleine pakketboot, die twee jonken sleepte voor onze bagage.

We dronken thee op het dek en keken naar de evoluties van de cormorans.

Bij de monding van de rivier, de Piré-Bazar, verlieten we de stoomboot en gingen aan boord van de jonken. Acht forse kerels, met den vilten hoed zonder rand, zetten zich aan de riemen en roeiden, waarbij ze zich van de banken verhieven en weer neervielen. Ze waren al gauw in ’t zweet gewerkt. [98]

De rivier kronkelde tussen het riet door en tussen gladiolusstengels. Kleine schildpadden kropen langs den oever. Notenbomen stonden er, en er waren een massa vogels, die door ons in het minst niet werden verontrust, reigers van allerlei soort, snippen, valken en wouwen.

Spoedig werd de rivier te smal voor de riemen. Onze roeiers sprongen aan land, en aan een touw, dat ze boven aan den mast vastmaakten, trokken ze ons in snellen pas voort.

Waarom moest dat touw zoo hoog worden bevestigd? De mast boog door, gaf mee en de acht trekkers vielen met hun neus in het slik.

Toch maakten ze daarna het touw weer vast, zoo hoog, als ze konden klimmen.

Een ogenblik later kruisten we een boot, die verschrikkelijk vol was met koffers en kleurige kisten, waar gesluierde vrouwen op zaten en mannen met rokken. Nu begrepen we de manoeuvre. Het touw van de andere boot ging onder het onze door en de booten passeerden aldus elkaar, zonder dat men behoefde op te houden.

Eindelijk waren we aan het doel, Piré-Bazar.

Stel u voor in een wat verwijde bocht van de rivier de meest grootse verwikkeling van een oneindig aantal booten, vlak naast elkander gelegen. Onze roeiers vonden toch nog gelegenheid, ons bij de plek te brengen, waar we konden landen.

Er werd een plank uitgeworpen naar den oever. Die bestond uit dik, kleverig slijk, en daar de kanten steil waren, kostte het ons veel moeite, vasten grond onder de voeten te krijgen. Er stonden rijtuigen op ons te wachten, en een troep koetsiers en sjouwers, die zeker gauw wat van onze bagage zouden hebben geroofd, als wij niet op de ontscheping van ieder stuk nauwkeurig toezagen.

Gelukkig kwamen er twee Kozakken te paard aan van het Russisch consulaat-generaal te Resjt.

De weg was vuil en door de overvloedige regens bedorven. Wij zouden er met de auto’s niet door zijn gekomen.

Halfweg werden we begroet door ruiters, die de gouverneur der stad, een der zoons van den Shah, ons tegemoet zond.

Iets verder liet een der hoofdambtenaren, de Salar, admiraal der Perzische vloot, naar ik begreep, ons prachtig opgetuigde paarden brengen, en een der ruiters, die ze vergezelde, stelde ons een brief ter hand, waardoor de Salar ons meedeelde, dat hij een van zijn huizen te onzer beschikking stelde. Maar we zouden te Resjt de gasten zijn van Rusland.

Wij reden stapvoets door de plassen en kuilen. Met de Kozakken, die voor ons uit reden, de stalknechts, die de rijk opgetuigde paarden aan den teugel voerden, want de etiquette wil, dat ze met ons meegaan, maar niet bereden worden, en de Perzische ruiters, die onze vier rijtuigen volgden, hebben we wel een beetje van een buitenlands circus, dat in een nieuwe stad binnen trekt, en we wisselden van wagen tot wagen genoeglijke glimlachjes….

Tegen den middag kwamen we in een tuin, waar een groot huis stond, vierkant en van steen op zijn Europees opgetrokken. Dat was het keizerlijk consulaat van Rusland.

De consul-generaal, de heer Olferieff, ontving er ons op de vriendelijkste manier. Hij bood ons wat hij had, grote, ledige kamers, en wij zagen dadelijk, dat het veldbed geen weelde was in Perzië, maar het aller-noodzakelijkste meubelstuk.

Resjt is de hoofdstad van Ghilan, de provincie die in het zuidwesten de Kaspische Zee begrenst. Dit land aan den voet van de bergketen, die ons scheidt van het hoge Iranplateau, is vochtig, warm, rijk en ongezond.

Een Perzisch spreekwoord zegt: “Als gij een vijand hebt, laat hem dan benoemen tot gouverneur van Ghilan”.

Niets weerspreekt zoo sterk als dit land het denkbeeld, dat men zich bij voorbaat van Perzië maakt. Enzeli-Resjt is een paradijs van groen, van rustige wateren, rijstvelden, waterlelies, irissen, gewone leliën, en ganzenbloemen, zoo hoog, dat men ertussen verdwalen kan.

Toen Pierre Loti uit Ispahan kwam, passeerde hij Resjt. Hij hield er zich niet op, hij heeft het niet gezien. Daarom kan ik hem wel verklaren, dat Resjt het mooiste van Perzië is. Zoo denkt ook er Emanuel Bibesco over.

De stad, die vrij groot is, wordt geheel door water omringd, met tuinen ertussen en lanen van oude bomen. Het is, of men in een park is. De bazaar, een onoverdekte, is druk en schilderachtig. Wij reden erdoor met de gebruikelijke Kozakken, al behoeft men hier niet voor zijn veiligheid een gewapend geleide, want het is, zoals de inwoner van Bakoe zei: “In Perzië zult u veilig zijn”. Maar wij zijn gasten van Rusland, en wij moeten alles vermijden, wat schaden kon aan het prestige der Europeanen.

De bazaar bestaat uit smalle straatjes met open winkels. Hier verkoopt men fluweel van Resjt, waar prachtig goudborduursel wordt aangebracht op fluwelen stoffen, die in de plaats worden vervaardigd. Het is rijk, maar niet bijzonder smaakvol. Dan zijn er tapijten, maar niet in grote keuze, want de Perzische tapijten komen per karavaan aan en worden dan direct naar Enzeli en van daar naar Bakoe vervoerd.

Kooplieden zitten op den drempel van hun winkels en roken de kelyan, terwijl in de smalle straat zorgvuldig gesluierde vrouwen en die zelfs haar ogen bedekt dragen, de stoffen kopen, waarmee ze zich thuis zullen tooien en thuis alleen, want op straat is haar toilet lelijk en altijd hetzelfde. Ezeldrijvers drijven kleine ezels door de menigte, grijze, zachtmoedige dieren met mooi tuig, en de zonnestralen vallen op de blauw porseleinen torens, die in den bazaar hier en daar verrijzen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *